recensie van het boek Brief aan mijn moeder en ander werk van Ischa Meijer
bron : biblion
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Brief aan mijn moeder
|
Jaar van uitgave
|
1974
|
Bron
|
Haagsche Courant
|
Publicatiedatum
|
25-10-1974
|
Recensent
|
Jaap Joppe
|
Recensietitel
|
Romanticus Ischa
|
Ischa Meijer is zijn "openbare leven" begonnen als toneelcriticus. Dat was een nogal opzienbarende activiteit, want hij bleek de botte bijl niet te schuwen, hij vond de term "actreutel" uit voor dames, wier pretenties uitgingen boven heur toneelprestaties, en hij stak verder zijn voor- en afkeuren niet onder stoelen of banken, Het was allemaal wat het toneel betreft vaktechnisch niet zo hecht ondertimmerd, maar gelezen werd hij wel, en hij leerde zijn collega's de les, dat je ook als toneelcriticus een lezerskring kunt opbouwen buiten de rechtstreeks geïnteresseerden, en daarmee belangstelling kan wekken voor dat toneel.
Maar hij zette voor het overige de klok geducht terug: naar de tijd, toen de criticus met een sabelbouw, een voorstelling vernietigde, omdat hij die "niet mooi" vond. Daar zijn we afgeraakt. Omdat dit persoonlijke oordeel voor het publiek minder interessant wordt: dat publiek wordt zelfstandiger, en wil vooral informatie, en deskundige begeleiding. Maar ook, omdat het theater van karakter verandert: het wordt steeds minder een zwart-wit, mooi-lelijk, goed-slecht vertoning, maar een subtiel mengsel, waarin steeds meer kunstvormen meespreken, en waarin steeds andere delen van het publiek worden aangesproken. Ischa Meijer werkte nog met die verouderde kritische apparatuur.
Inmiddels verliet hij het kritische bedrijf, werd verslaggever bij de Haagse Post en maakte daar niet onverdienstelijke interviews, die nu gebundeld bij Bert Bakker zijn verschenen. Bij diezelfde uitgever verscheen, vrijwel tegelijkertijd, "Brief aan mijn moeder", het eerste "letterkundige" werkstuk -- voor zover mij bekend -- van Ischa Meijer. Ook hier blijft hij dicht bij de realiteit: het is -- daar wijst alles in de tekst op -- ook in werkelijkheid een brief van de schrijver aan zijn moeder. Een afrekening als onderdeel van het proces naar de definitieve volwassenheid -- een fase die iedereen moet doormaken, al zal niet iedereen er toe komen om dat proces aan de openbaarheid prijs te geven. Dat wil zeggen: wanneer het proces werkelijk ten einde is gekomen. En dat einde komt pas, wanneer het kind zijn ouders, zijn moeder, vrij in de ruimte geplaatst kan zien, als mensen, en niet (alleen) in hun functie van zijn eigen opvoeder.
Dat proces is bij Ischa Meijer nog lang niet afgesloten. Hij tekent, emotioneel, zijn moeder als een slechte opvoedster, die gruwelijke pedagogische fouten maakt, haar kind, geestelijk, mishandelt. Hij voert daarvoor de oorzaken aan, zonder die zodanig te kwalificeren: de joodse conditie van de laatste veertig jaar, haar (jonge) leeftijd toen zij haar echtgenoot, haar maatschappelijke afhankelijkheid van een rijke oom, de kamptijd, het soms eenzaam zwerven. Hij kent die omstandigheden, hij noemt ze op, maar ze dringen niet tot zijn emoties door, want hij is een romanticus. Hij ziet niet de dingen zoals ze zijn, maar zoals de mensen in Plato's grot ze zien: als schaduwen op de achterwand van zijn ziel. Hij meet ze af naar het ideaal-beeld, dat hij zich (ook van zijn moeder) heeft gevormd, en dan schieten die dingen tekort.
Dat maakt zijn "brief" tot een geschrift, waarvan je je kunt afvragen of het eigenlijk wel rijp voor publicatie is. Het is houterig en moeizaam geschreven, de auteur worstelt nog met zijn materie, hij kan die niet in vorm krijgen -- hij krijgt zijn onderwerp niet in focus, en die hoofdpersoon blijft schimmig en onvolledig. De lezer krijgt de overtuiging, dat met de bouwstenen, die Ischa Meijer aandraagt, een werkelijk fascinerende vrouwenfiguur zou zijn te tekenen.
Hij kan dat wel -- wanneer hij afstand kan nemen. Hij tekent in die interviews bij voorbeeld Ida Wasserman schitterend. Maar zij voldoet ook aan zijn ideaal-beeld van een moeder: "Ach, wat ben jij verlegen", zegt mevrouw Wasserman al bij de eerste ontmoeting, en ze maakt een boterham voor hem. Maar over een vrouw als Liselore Gerritsen schrijft hij wel vol sentiment, maar ze blijft voor hem -- en daarmee voor zijn lezers -- een schimmige contourloze figuur.
Daarmee is de kring rond -- de toneelcriticus Ischa Meijer zag, als romanticus, ook niet wat zich voor zijn ogen, op het toneel, afspeelde. Hij had van dat theaterbedrijf een kinderlijk verwachtingsbeeld, en daaraan voldeed dat toneel niet. Hij zag wel, met kinderlijke ogen, dat de keizer geen nieuwe kleren aanhad, en vaak naakt was, maar dat was een beeld, dat een romantische geest niet kon verwerken. Wie de moeite nam -- en dat is wel gebeurd -- om hem de facts of life van het toneel te vertellen, vond in hem een intelligente leerling, bij wie de verteller of diens toneelgezelschap verder geen kwaad kon doen. Maar de facts of life van de menselijke verhouding tot je ouders moet iedereen, telkens weer opnieuw, zelf ontdekken.
====================================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Brief aan mijn moeder
|
Jaar van uitgave
|
1974
|
Bron
|
Het Parool
|
Publicatiedatum
|
19-10-1974
|
Recensent
|
|
Recensietitel
|
De pijn van Ischa Meijer
|
Begin van "Brief aan mijn moeder".
"Moeder, het kost moeite mij tot u te richten, ik kan me niet herinneren dat er tussen ons een vertrouwelijke band bestaan heeft.
Hoewel ik me de afgelopen jaren intensief bezig heb gehouden met het gezin waaruit ik stam, is het me nauwelijks gelukt u in gedachten of gevoelens te bereiken."
Fragment uit "Brief aan mijn moeder":
"Waaraan ontleende ik mijn bestaansrecht? Vaak heeft u mij, uit eigener beweging, het volgende verteld: "We wilden je zo graag hebben. Je moet weten: in die tijd waarin jij geboren bent was het zeer gemakkelijk een joods kind te laten aborteren.
We waren zo gelukkig toen jij geboren was! De mensen verklaarden ons voor gek dat we jou hadden laten komen. Toen we weggehaald dreigden te worden, hebben we voor jou een bedje in een kolenkit gemaakt, je kleertjes ernaast gelegd. Een vriendin zou verder voor je zorgen, had ze ons beloofd. Wij hadden je graag verzorgd achtergelaten.
We werden door die kerels op een hoop gedreven en naar de brug gebracht. Daar moesten we wachten. En plotseling zag ik jou liggen: een spiernaakte baby - (die vriendin was bang geworden en had je meegegeven). Daar lag je en een Duitser had zijn voet al op je buik gezet. Toen heb ik geschreeuwd, zó dat ik mezelf hóórde schreeuwen. En ik kreeg je terug".
"Waarom juist dit verhaal? Schaamde u zich erover dat u mij verlaten had? Of heeft u dit eerste weerzien nooit kunnen verwerken door gevoelens van tergende zelfkritiek: dat u mij alle verdere ellende niet heeft kunnen besparen?
"Jou heb ik door kampen gesleept".
"Dit werd mij herhaaldelijk als een verwijt voor de voeten geworpen: de schuldvraag werd onherroepelijk in een beschuldigende vorm gegoten. En lang heb ik door deze altijd zo retorisch geplaatste voltreffer geen kant uit gekund".
Gemompel
Ischa Meijer in zijn woning aan het Amsterdamse Waterlooplein, asbak vol peuken, kettingrokend, zachte stem, af en toe het hoofd afwendend in een nauwelijks te volgen gemompel: "Als je nagaat wat er nou nog moet komen, want ik werk me kapot, er komt nou een nieuw boek - ik ben bang dat ik vanmiddag zeer ongestructureerd praat, ik ben ook een beetje verlegen en dat moet je me maar niet kwalijk nemen - als het te gek wordt zet je de zinnen zelf maar in elkaar. Zou je dat willen?" Staat op, komt terug met whisky.
"Die "Brief aan mijn moeder" kan ik niet meer lezen. Ik heb het geschreven, maar ik heb tijdens het schrijven zelfs niet gelezen. Dat kan ik niet. Iedereen denkt dat ik zo'n last heb van die oorlog, maar dat is een misverstand."
Fragment uit "Brief aan mijn moeder" waarin Ischa Meijer beschrijft hoe hij in Paramaribo met een man een paar glazen drinkt en die man zegt:
"Weet je wel dat ik een SS'er gedood heb. Ik legde mijn handen op zijn keel en drukte, en drukte. Zó." In het lichte duister van de tropennacht zie ik hoe hij zijn benige vingers op de eigen adamsappel legt, en hij knijpt met uitpuilende ogen. Ook herkende plotseling mijn vader".
"Je vader heeft van die vreemde ogen. Ik heb eens gezien hoe een kapo in het kamp hem tot bloedens toe trapte. Maar je vader kéék alleen maar - en die man hield op met hem te vermoorden".
Jom Kippoer
Ischa Meijer, Waterlooplein: "Ik heb deze tijd wel ontzettend last van die Jom Kippoeroorlog van vorig jaar. Ik zal het proberen te vertellen. Ik zat een tijdje geleden in de trein, ik moest naar Den Haag om wat dingen met mijn uitgever te bespreken. De avond tevoren kijk ik naar het nieuws van zeven uur en in dat nieuws zit de vooravond van Jom Kippoer in Israël. Ik zie beelden van vrouwen die huilend op graven liggen. Vrouwen die van hun mannen hielden. En van hun zoons hielden. Ik was gefascineerd. De volgende dag zit ik dus in die trein naar Den Haag en ik lees in de krant dat er in Israël drie Nederlandse meisjes gearresteerd zijn omdat ze voor Jordanië gespioneerd hadden, en een van die meisjes kende ik. Dat vond ik ontzettend, dat vond ik huiveringwekkend en plotseling realiseerde ik me dat het die dag Jom Kippoer was." Kijkt me ontroostbaar aan, haalt zijn schouders op.
"Jom Kippoer. Wat mij als jongetje zo verschrikkelijk heeft aangegrepen op Jom Kippoer dat was niet het vaste, maar tegen het einde, aan de poorten van het slotgebed, wordt de Gods erkenning uitgesproken voor de stervenden - dan gaat die gebedsdoek over je hoofd - je ziet dus niets - en je hoort dan misschien je eigen doodsgebed want het zou best kunnen dat God je dood wilt hebben als je niet goed boete hebt gedaan. Als kind heeft me dat altijd waanzinnig aangegrepen, ik was zo verlangend naar het moment dat het over zou zijn - want dan zou ik misschien nog leven.
Dat dacht ik in die trein en plotseling wist ik niet meer waarom ik alles verloren heb. Alles. Waarom geloofde ik niet meer in een God, en waarom zou ik wel in hem geloven. In die trein verlangde ik daarnaar want ik ben een ongelovig mens geworden, maar ik heb wel een klassiek joodse opvoeding gehad. Mijn vader heeft me zeer streng opgevoed, dat wil zeggen: hij leerde me iets en zei daarna dat ik te stom was, en dan kreeg ik een klap voor mijn kop.
Fragment uit "Brief aan mijn moeder".
"Kijk, hoe je vader zich voor ons kapot-sappelt".
"Er werd zo al vroeg van mij op verwijtende toon een mededogen geëist dat ik niet anders kon opbrengen dan als een (van u) gereproduceerd, en nooit werkelijk gevoeld, gebaar. Zoals mijn vertalingen uit de Vijf Boeken Mozes een vlekkeloos vertoon van gehoorzaamheid jegens mijn vader waren, mijn uitgebreide kennis van het joodse geloof op uit het hoofd geleerde kunstjes berustte - intellectuele hoogstandjes van een achtjarig kind - zo uitte mijn, door u bepaald, innerlijk leven zich in loze maniertjes, opgedrongen door een vrouw die zich met haar eigen roerselen geen raad wist, en die grotendeels op mij projecteerde. Ik kon al vroeg geen kant meer uit".
Zondigen
Ischa Meijer: "Ik zit dus in die trein naar Den Haag, weggedoken achter mijn krant met dat bericht over die drie Nederlandse meisjes, en het is Jom Kippoer, en ik wist het gewoon niet meer. Ik voelde me schuldig, ik wou naar sjoel. Ik had niet gedacht dat ik dat ooit nog een gewild zou hebben. Ik had het gevoel dat ik zwaar zou zondigen als ik er niet naar toe ging, als ik niet dat dodelijk gebed zou ondergaan. Ik loop in Den Haag, de trap af van het Hollands Spoor, en ik wist meteen waar de sjoel lag hoewel ik er mijn hele leven maar één keer langs was gelopen.
Vervolgens ben ik niet naar sjoel gegaan.
Ik dacht: als je nou binnenkomt dan draaien al die mensen zich om, want het gebeurt niet meer dat er in een sjoel een onbekende jood binnenkomt - in die kleine gemeentes kent iedereen iedereen - en dan komt er opeens een vreemdeling binnen, ik. Ik dacht: je bent al vreemdeling genoeg, ga maar niet. Ik had ook geen pantoffels bij me, en ik had geen eigen tallis bij me en iemand had me een gebedenboek moeten lenen.
Goed, er gaat een week voorbij, en ik zit hier op een avond met Marreke, dat is mijn vriendin, en dat betekent voor mij dat ik voor het eerst van mij leven - ik ben nou éénendertig - een zeer aanvaardbare relatie met een vrouw heb, zó zelfs dat ik nooit gedacht had nog eens een mens tegen te komen dat zo goed was. Als ik er godverdomme alleen maar aan denk dat zoiets misloopt of iets dergelijks..." draait mompelend zijn gezicht van me weg.
Niet eerlijk
Ischa Meijer. "Ik zit op een avond hier met Marreke en ik denk: het is niet goed, ik ben niet eerlijk geweest, het is niet eerlijk als ik mijn ouders niet inlicht! Ik bel mijn vader op - ik wist zijn nummer niet, moest het even opvragen bij de inlichtingendienst, en ik krijg hem aan de telefoon. Ik luister, maar ik herken zijn stem niet, want eigenlijk heb ik hem in dertien jaar niet gezien, dus ik vroeg of hij het wel was. Ja, hij was het. Ik zeg: ik heb een boek geschreven, ik heb mijn eerste boek gemaakte en ik wou het vanavond bij mijn uitgever ophalen en dan wou ik het jou komen brengen - en moeder. En toen zei die: welke uitgever is het? (Ischa Meijer' grinnekend: welke uitgever vraagt zo'n man - waanzinnige reactie van de intellectuele middenstand). Ik zei: mijn uitgever is Bert Bakker in Den Haag. Oh, zegt mijn vader, Bert Bakker in Den Haag - en waar gaat dat boek over? Ik zeg: dat kan ik niet uitleggen. Hij zegt: hoe heet dat boek. Toen dacht ik: zal ik nou toch maar gaan liegen en zeggen: het heet "De woedende hunkering'."
Fragment uit "brief aan mijn moeder".
Ischa Meijer is in Londen:
"Op Waterloo Station drink ik een kopje koffie. De stationsgeluiden komen me ineens zo vertrouwd voor. Freiburg, drieëntwintig jaar geleden, op reis met vader; ik ruik de tabakslucht van zijn pak, ik hoor zijn stem; ik blijf doodstil zitten om dat visioen van veiligheid niet te verliezen".
Fragment uit "Brief aan mijn moeder".
Vader is in Suriname achtergebleven.
"Waarom schrijf je je vader nooit?"
"Ik begon telkens weer opnieuw aan een brief, maar het wou maar niet lukken. U ontdekte de talloze luchtpostvelletjes met alleen maar de aanhef "Lieve pappie", u zwaaide ermee in het rond en riep: "Lieve pappie, lieve pappie, lieve pappie!" Ischa Meijer: "Ik heb me beheerst, ik heb niet gelogen, ik heb gezegd: dat boek heet "Brief aan mijn moeder". En toen zei mijn vader: daarin zijn wij niet geïnteresseerd - en hij zei dat op een manier zoals je dat zegt tegen de derde man die met dezelfde collectebus voor je neus verschijnt.
Ik legde de haak neer en ik dacht: waar blijft mijn woede, waar blijft mijn verdriet, en er was een knik in me, en ik voelde me zoals je ontwaakt uit een depressie, je proeft weer dingen, je ziet weer dingen, je bent nieuwsgierig, je luistert - terwijl je je vóór die tijd voortsleept, niet nieuwsgierig bent, en de hele rot rest. Dat was voorbij, met dat waanzinnige telefoongesprek . En toen heb ik iets ontdekt. Ik ontdekte dat ik hoop had gekoesterd - en ik ontdekte dat hoop belástend is.
Ik legde de haak neer en ik draai me om naar Marreke en ik zeg: vader wil niet, waarop Marreke in snikken uitbarst en er ineens uitflapt: "Weet je van Uzi? Uzi heeft ook al scherven in zijn hoofd. En Uzi lachte vroeger altijd en nu lacht hij niet meer." En toen heb ik moeten huilen - maar niet om mijn vader.
Ik ben tijdens de Jom Kippoer-oorlog in Israël geweest, en ja, ik ben geen oorlogsverslaggever, ik heb wat rondgelopen en op een avond kwam ik in een ziekenhuis terecht en toen heb ik die jongen gesproken die inderdaad scherven in zijn hoofd had. Een jongetje van achttien. Nou Ja, dat is verloren, en dan toch maar doorgaan in zo'n ziekenhuis. Uzi heeft ook al scherven in zijn hoofd. Jezus Christus.
Stuurloos
Ik zit in die trein naar Den Haag en ik herinner me weer wat anders. Ik ben een tijdje in Amsterdam op een joods schooltje in de Swammerdamstraat geweest en het was er vrij streng hoor, maar de onderwijzer, een oost-jood, was een heel aardige man, die sloeg nooit en we begonnen altijd gedichten van Bialik te lezen en daarna werd er geléérd, een stuk tekst genomen. Al begreep je er geen ros van, je leerde het, dat was het systeem. Zoals die man Bialik voordroeg was fantastisch en in die trein op de dag van Jom Kippoer hoorde ik dat weer, ik zal proberen de vertaling te geven: "Welkom, lief vogeltje, uit de warme landen kom jij naar mijn raam". - "Sjalom raw, tsipora nichmedet, mé-artsot hachom el chalonie" - welkom ...veel vrede...aanbiddelijk vogeltje...kom uit de landen waar het warm is...naar mijn venster." Poëzie, acht jaar, keppeltje op je kop, treurigheid, toch liever willen ballen buiten hè?
Fragment uit "Brief aan mijn moeder"
"Weet je, dat je gisteravond mijn kamer binnenkwam, slaapwandelend, met open ogen. Je zat daar maar, ik kon je niet in beweging krijgen. Ik heb de dokter erbij geroepen, en ook die heeft geprobeerd je naar bed te brengen. Het lukte niet. Je zat daar maar. Ik was zo bang".
"Ik herinner me daar nog niets van. Maar dit beeld, deze figuur komt me steeds vertrouwder voor, de manier waarop ik mij lang, al te lang, door het leven bewogen heb; een van alle gevoelens, bewuste waarnemingen, afgesloten kind, uitgehold, stuurloos, niet te besturen, schijnbaar in leven, maar bang om te gaan slapen, angstig, angstaanjagend ook, doelloos toe toevend bij de grote mensen, ziek, maar door niemand te helpen."
Kaasstolp
Ischa Meijer: "Op het ogenblik ben ik bezig met een boek dat "Een rabbijn in de tropen" gaat heten. Daar komt een scéne in voor, dat is wel gek - daar ligt iemand in de goot. Maar hoe ik daar nou aan kom? Ik vond het een hoogst eigenaardig beeld en ik maakte er een korte notitie van en ik dacht: ja, dat kan niet, want ik weet helemaal niet hoe dat is. Hoe kom je in zo'n goot terecht, dat is een zeer groot probleem.
Diezelfde dag dat ik mijn vader zou bellen, weet je wel, loop ik langs de Prinsengracht en daar is een riool opengebroken. Ik kon daar rustig langs lopen, er was niets aan de hand - gewoon een riool open. En, ik zal wel niet in zo'n beste conditie zijn geweest, ik ging aan de andere kant van het riool lopen, op een heel smal richeltje en daar lag een steen en ik dacht: daar moet je nou niet op stappen want anders flikker je er in. Op dat moment stap ik inderdaad op die steen en tuimel ruggelings in het riool. Fantastisch, fantastisch, wat een mens allemaal niet verzint om te komen waar hij wil komen.
Fragmentje uit "Brief aan mijn moeder":
"Jij pleegt geen zelfmoord. Daar ben je veel te nieuwsgierig voor".
Ischa Meijer: "Ik stond met Willem Wittkampf op de Kring en Willem Wittkampf stelt me voor aan een collega van hem en later op de avond zegt die collega tegen me: Ik heb nog nooit iemand gezien die me zo nieuwsgierig heeft aangekeken - je ogen stonden helemaal open. Dat is erg ongewoon, weet je dat? Ik zeg ja, dat zal wel, mijn ogen stonden zo open om zo goed mogelijk te kunnen ontvangen. Als ik iemand ontmoet en het is iemand die me treft, of het is iemand van wie ik denk "die laat me zijn paspoort zien en dat lijkt erg op het mijne" dan denk ik ook: wat een aardige man, misschien kan die me helpen, en misschien kan ik overleven door hem, misschien kan hij me verlossen. Dat klinkt heel pathetisch, maar zo is het natuurlijk altijd geweest.
Tot mijn zevenentwintigste jaar heb ik onder een gigantische kaasstolp geleefd, afgesloten van iedere werkelijkheid. In die "Brief aan mijn moeder" worden alleen mijn gevoelens tot mijn zevenentwintigste beschreven, daarna ben ik veranderd, daarna ben ik onder die stolp weggekomen en die ene die me daarbij geholpen heeft ben ik dan ook erg dankbaar, dankbaar zoals je niemand dankbaar bent. Ik heb hem het eerste exemplaar van dat boekje gebracht het hem en hij keek het in en hij zei: oh, wat leuk; en daarna zette hij het in zijn boekenkast. Dat was alles. Ik zei: waarom ben je nou niet blij dat ik je het allereerste nummer breng, waarom gebeurt er niet iets. Ik wou hem (fluistert) niet vragen of hij me bij wijze van spreken niet een zoentje zou willen geven, me even tegen zich aandrukken. En toen zei hij - aan wie ik mijn leven te danken hebt: ik was al zo blij toen je het afhad.
Afscheid
Ach, ik weet dat ik uitgehongerd ben, maar ik denk dat niemand me dat ooit kan geven. Ik wil naar sjoel met Jom Kippoer en als ik dat vertel dan heb ik het gevoel dat niemand begrijpt dat ik terug wil, dat ik zo graag ontvangen wil worden en dat ik zo graag thuis wil komen in een thuis dat niet meer bestaat en een thuis dat nooit meer zal bestaan, en dus ben ik bezig om nog vreselijker dingen te beschrijven. En dat gaat heten "Een rabbijn in de tropen", wat ik je al vertelde, en "De handzame Ischa Meijer", twee romans, die volgend jaar zullen verschijnen.
Het feit dat die "Brief" niet verstuurd is kunnen worden houdt het falen van het werk in. Aan de andere kant: mijn moeder zou het niet hebben begrepen. Die begrijpt dat niet, mijn moeder kennend, niet kennend."
Einde van "Brief aan mijn moeder".
"Ik zou ook zo graag afscheid van u nemen. Daarom schreef ik u deze brief, om u in zekere zin ook weer te kunnen zien, lopend, ergens, even opduikend uit de grote massa: u herkent mij niet, want ook u zult een andere vrouw zijn, een gewone passant.
Zó, door iets voor u te voelen, door u tenminste te voelen, wil ik u verliezen - en niet anders".
======================================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Brief aan mijn moeder
|
Jaar van uitgave
|
1974
|
Bron
|
PZC : provinciale Zeeuwse courant
|
Publicatiedatum
|
19-10-1974
|
Recensent
|
Hans Warren
|
Recensietitel
|
Ischa Meijer "Brief aan mijn moeder" : een zoon op zoek naar zijn identiteit en bestaansrecht
|
Het overgrote deel van de mensen wordt wel 'onbedoeld' geboren, en de meeste kinderen zijn dus toevalsprodukten, behept met talloze goede, minder goede en slechte eigenschappen van de voorgeslachten. Ik bedoel: je hebt het niet helemaal (eerder: helemaal niet) voor het zeggen, ook als je per se een kind wilt hebben pakt het vaak anders uit dan je denkt, want welke spermatozoïde bereikt welke eicel? Maar goed, er is een kind, al dan niet gewild, of zo opzettelijk en volgens plan als maar mogelijk is, verwekt. Dan ben je daar als ouders (ook een keer op die manier ontstaan) met al je gewone goede en slechte eigenschappen, je bekwaamheden en tekorten. We nemen aan dat er liefde is, ook voor het kind. Meestal is die er wel, maar vaak ook wordt het kind van het begin af als een handenbinder en soms als een wig gevoeld. En ook wie liefheeft maakt grove fouten, zegt verkeerde dingen, reageert onberekenbaar en schiet te kort. Het kind groeit op, het is misschien een lief kind, misschien een lastig of zelfs heel naar kind: het beantwoordt wel, of een beetje, of totaal niet aan de verwachtingen die zijn ouders er van hebben, het heeft eventueel broers of zusters waar het dol op is of die hem totaal niet liggen, -- en jawel, het gaat mis, grondig mis tussen de generaties. Het komt tot afschuwelijke conflicten, tot het ogenblik waarop de ouders zich afvragen "Waarom hebben we jou in 's hemelsnaam op de wereld gezet", en waarop het kind hen verwijt: "Waarom hebben jullie me in hemelsnaam op de wereld gezet." Het helpt niets, een antwoord is er niet op, en een generatie later ontstaat er hoogstwaarschijnlijk weer een precies eender conflict.
Ik geef een mild geval, zoals er honderdduizenden zijn, dagelijks. Ze hebben niets bijzonders, niets tragisch, ze behoren tot het gewone menselijke patroon, je hebt het zogezegd helemaal aan jezelf te wijten.
Er komen ook gevallen voor, waarin de tragiek wel een rol speelt, waarin althans buitengewone omstandigheden de mensen extra hebben belast, tot het ondraaglijke toe.
Zo'n geval is dat van Ischa Meijer (31 thans) en zijn ouders, en hij geeft daarvan een schrijnend en onthutsend beeld in zijn 'Brief aan mijn moeder'. Ischa Meijer werd in februari 1943 geboren, de eerstgeborene en beslist 'gewenste' zoon (althans volgens zijn moeder) van twee jonge joodse mensen die tot dat moment nog niet gedeporteerd waren, maar het, met de baby, weldra zouden worden. Ischa's vader was een zeer orthodoxe jood, zijn moeder, hoewel 'volbloed jodin' stamde uit een geassimileerd gezin en zij had een enorme aversie tegen het jodendom. De vader had rabbijn willen worden, doch zag daar op het laatste nippertje terwille van zijn vrouw van af, en werd geschiedenisleraar, een vooraanstaand zionist en publicist. De moeder, 'dommertje' uit het gezin die niettemin vlot haar gymnasium haalde, werd later de toegewijde secretaresse van haar man. Zij overleefden namelijk, met het jongteje Isch de kampen, maar hoe.
Isch was bijna altijd ziek geweest, en wat deze mensen meegemaakt hebben voor ze uit Bergen Belsen werden bevrijd was zo erg dat er later bij hen thuis bijna nooit meer over werd gesproken.
De familie had van moederszijde nog al wat gefortuneerde relaties, en zo kon het gebeuren, dat kort na de bevrijding de moeder met Ischa naar Amerika ging om daar wat aan te sterken na de ontberingen. Maar dat pakte anders uit.
"Er wachtten ons daar enige teleurstellingen. Andries (een oom) zou, naar uw zeggen, bij onze aankomst al, ontkend hebben dat hij de reis had willen bekostigen, even later werd ik getroffen door een combinatie van kinderverlamming en encephalititis. Andries wees (volgens uw zeggen) u en mij de deur omdat hij bang was dat zijn eigen kinderen door mij aangestoken zouden worden. Geen ziekenhuis wilde mij accepteren, maar een bevriend emigranten-echtpaar nam ons liefderijk op en bij die mensen lag ik ziek. Achteraf besef ik dat u mij toen wel voorgoed opgegeven moet hebben, en die conclusie kan ik ook passen in het beeld dat mijn oom Andries mij later van u schetste: een door het kampleven verwilderde vrouw, met wie geen land te bezeilen viel, elk menselijk verkeer ontwend, niet in staat tot enige aanpassing, radeloos" (p. 20).
Ischa's moeder ontdekte bovendien dat ze opnieuw zwanger was.....
Ik geef speciaal eerst dit citaat uit deze schokkende 'Brief aan mijn moeder' en schets even een paar achtergronden om geen verkeerde indruk te wekken van dit boek. Deze brief is weliswaar een vernietigende aanklacht, er staan vreselijke dingen in, waarvan ik straks ook nog een paar voorbeelden geven zal, maar Ischa Meijer toont ook de keerzijde van de zaak. Hij is een zoon, vertwijfeld op zoek naar zijn identiteit en zijn bestaansrecht, twee zaken die zijn ouders hem vrijwel ontnomen hebben, maar hij is eerlijk en ruim genoeg om te laten zien dat zijn ouders voor een door de omstandigheden al te zware taak hebben gestaan.
Er kwamen nog een zusje en een broertje, daarmee waren er geen moeilijkheden; het waren 'zoete kinderen' schrijft Ischa zelf, 'normale kinderen' volgens de moeder. Want Ischa was volgens haar niet normaal. Zijn brief aan haar is van begin tot eind cursief doorspekt met citaten: uitdrukkingen van zijn moeder die hem hebben gegriefd, gekweld en vernietigd. Zij moest een geraffineerd gemeen instinct hebben gehad om het kind dodelijk te wonden, en dan smeerde ze daar direct weer een zalfje op: dat hij het niet kon helpen, dat ze toch zo'n meelij met hem had, etcetera. Een tuiltje van die uitspraken: "Jij was altijd ziek". "Er moet toch ergens een rest zitten" (na de kinderverlamming bedoelde ze). "Die normale kinderen (d.w z. broer en zus), die zo van jou te lijden hebben." Enzovoorts.
Zo werd deze eerstgeboren en 'door de kampen gesleepte' zoon een afgezonderde, een soort uitgestotene, anders dan anders. Zelf voelde hij zich als de zondebok waarop zijn ouders al hun ellende, vroegere en huidige afreageren. Dat werd nog toegespitst doordat hij indertijd in het gezin werd gebruikt als bumper tussen de ouders die het erg moeilijk met elkaar hadden. De vader, die terwille van zijn vrouw, zijn studie voor rabbijn opgegeven had, wordt toch weer een vurig aanhanger van het joodse geloof, de moeder blijft afwijzend. Dan besluit de vader van zijn eerstgeboren zoon 'een fijne joodse jongen' te maken; Ischa wordt gedresseerd als een aapje, met alle gevolgen van dien. Hoe het toeging in deze giftige atmosfeer is mogelijk het beste te illustreren aan één scène:
"De naam van God mag je als jood nooit uitspreken", zegt vader tegen mij. U lacht en zegt treiterend, wel drie of vier keer: "Jehova, Jehova, Jehova, JE-HO-VA !" Mijn vader zegt: "Joden die de vijfletterige naam van God durven uitspreken, zullen door de bliksem worden getroffen." U steekt uw tong tegen hem uit." (p. 44).
Wat de jongen allemaal te kennen gegeven of verweten wordt, lijkt wel uit een Hogere Treiterschool afkomstig. Als hij gedichtjes schrijft vist zijn moeder die uit de prullemand, laat ze luidkeels door zijn vader voordragen, waarna hij uitgelachen wordt. 'Het mislukte genie!' Heeft hij eens een vriendinnetje, dan gaat het als volgt:
"Ik had een vriendinnetje, wier vader overleden was, dat bij haar moeder woonde. Daar was ik welkom, hoewel ik aanvankelijk doodsbenauwd was om ook in het milieu van die twee (aardige) wezens te veel te zijn. Uiteindelijk lukte het mij toch mezelf min of meer op mijn gemak te voelen bij het meisje en haar moeder. Toen hebt u die vrouw opgebeld met de mededeling "dat u het best vond dat uw zoon omgang had met een oudere vrouw ("altijd beter dan een hoer", luidde uw letterlijke verklaring) "maar dat mocht niet in strijd komen met mijn huiswerk". Door die opmerking moest de relatie met de vrouw en haar dochtertje wel verbroken worden" (p. 51).
Zelfs het feit dat tengevolge van de kinderverlamming zijn gezicht een ongevoelige en onbeweegbare kant heeft, werd tegen hem uitgespeeld: de slechte kant van zijn karakter viel van zijn gezicht af te lezen, hij had 'twee kanten' (p. 57).
Op de achtergrond houdt Ischa Meijer ons op de hoogte over de lotgevallen van het gezin: emigratie naar Suriname, dreigende scheiding, maar uiteindelijk zeer grondige hereniging van de ouders, die zich toen allebei tegen hun zoon keerden en hem, nog voor hij eindexamen deed, op kamers zetten. Zij hadden toen een enorm fortuin geërfd van een oom van moederszijde. En eigenlijk is, wat volgde, ook zo klassiek: dat Ischa toenadering zocht tot een meisje, dat er een kind van moest komen, dat dit meisje, een begaafd kind uit een heel eenvoudig milieu, vóór haar eindexamen gymnasium van school moest, dat de samenleving een vreselijke mislukking werd, op de valreep afgesloten met een huwelijk plus scheiding. Dat Ischa Meijer een hoerenloper werd (hij is naar mijn idee daar al te uitvoerig in zijn belevenissen, het idee 'Brief aan mijn moeder' lijkt me daar een beetje uit het oog verloren) dat zijn tweede huwelijk nog sneller mislukte en dat hij toen, in zijn wanhoop, deze verschrikkelijke brief aan zijn moeder begon te schrijven (hij heeft er langer dan een jaar over gedaan) een brief die, hoe verpletterend ook, toch één ingehouden schreeuw is om liefde, het eeuwige "moeder waarom leven wij", eerbiedig eigenlijk ook:
"...in mijn poging om mij tot u te richten, u werkelijk te benaderen, zit bij voorbaat al een groot stuk schaamte ingebouwd: uw hoongelach is, haast als conditie, daarbij ingecalculeerd: mijn stijl is daarom, bij wijze van zelfbescherming, met opzet afstandelijk gehouden; de mogelijkheid om u te raken, wordt belemmerd door ons beider onvermogen en angst om aan wezenlijke zaken te komen die nooit uitgesproken zijn, laat staan verwerkt; ik ben bijna genoodzaakt mij net zo te gedragen als u: het onzegbare ongeluk te aanvaarden als een vanzelfsprekendheid -- wie zich in de affaire mengt, moet worden uitgestoten, te beginnen bij onszelf" (P. 62).
En aan het slot:
"Voor zover er uit dit schrijven een conclusie getrokken moet worden: u heeft mij niet willen hebben. In dat opzicht waren wij beiden inderdaad slachtoffers van De Grote Oorlog. Ik maak u geen enkel verwijt -- ook niet uit angst dat u mij weer eens uit zou lachen". (...) "Het was allemaal gewoon te veel voor u" (P. 92).
Helemaal aan het slot ziet Ischa toevallig zijn moeder terug: één jaar voordat hij deze brief begon te schrijven):
"De laatste keer: Ik wandel door Amsterdam en plotseling zie ik u bij een tramhalte staan. Ik loop op u toe en wil u een zoen geven. Maar u draait zich van me af. De tram komt eraan en u stapt snel in" (...) "Ik zou ook zo graag afscheid van u nemen. Daarom schreef ik u deze brief, om u in zekere zin ook weer te kunnen zien, lopend, ergens, even opduikend uit de grote massa: u herkent mij niet, want ook u zult een andere vrouw zijn, een gewone passant. Zo, door iets voor u te voelen, door u tenminste te voelen, wil ik u verliezen -- en niet anders" (p. 94).
Er is geen oplossing. Je zit, als lezer, mét Ischa Meijer en mét zijn ouders, met de afschuwelijke brokken, en kunt enkel hopen dat deze brief een zuiverende, genezende werking heeft. Dat hij daarbij een prozadocument van zeer hoge rang is, is meegenomen.
=============================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Brief aan mijn moeder
|
Jaar van uitgave
|
1974
|
Bron
|
De Nieuwe Linie
|
Publicatiedatum
|
23-10-1974
|
Recensent
|
Gerard van den Boomen
|
Recensietitel
|
Ischa's klacht
|
De interviewer Ischa Meijer heeft zichzelf geïnterviewd. Hij goot die zelf-analyse in de vorm van een brief aan zijn moeder. Ischa, van Joodse afkomst, zat klem met zijn ouders. Hij beschuldigt hen niet rechtstreeks. Maar hij verlangde naar contact en kreeg die niet. Het is ook een analyse van het jood-zijn. Het zeer persoonlijke generatie-conflict dat hij meemaakte en het isolement van het jood-zijn vloeien ineen.
Hij schrijft dat de jeugd van zijn moeder en hemzelf overeenkwamen: onderworpenheid, isolement, verdriet. Ischa's klacht is een treffende uiting van extreme innerlijke spanningen tussen een kind en zijn ouders, die ook weer in spanningen tussen elkaar en met hun omgeving leefden en leven. Ook uiterlijk was dit leven extreem: de geboorte van het kind onder de oorlog, het Duitse concentratiekamp (waaruit ze alle drie terugkeerden), de reis naar New York, de emigratie naar Suriname, de terugkeer.
Het zoeken naar contact met de moeder in dit boekje heeft een dubbele bodem. Het is bedoeld als afscheid. (De laatste zin "Zo, door iets voor mij te voelen, door U tenminste te voelen, wil ik U verliezen - en niet anders". Als je dan de interviews van Ischa Meijer (met mensen als Bomans, Van Ulsen, Melle, Ton Lensink, Lou de Jong, Marga Minco, één uit De Nieuwe Linie, de rest uit HP-magazine) herleest, blijkt extra hoezeer hij ook in de gesprekken met anderen in hun jeugd duikt. Hij vraagt hen wat hij zichzelf vraagt. Hij ondervraagt zichzelf in hen. Daarom ook slaagt hij erin deze mensen confidenties over zichzelf te laten vertellen.
Ischa Meijer is een complexe figuur. Altijd kind gebleven snakt hij naar erkenning. Hij is exhibitionist. Iemand met bravour én zelfvernietigingsdrang. Hij is een acteur manqué (die in HP geruime tijd de vloer aanveegde met de Nederlandse toneelwereld en daarbij zelf letterlijk klappen opliep). Er zijn sado-masochistische trekken. Zijn eigen levensgeschiedenis is mest voor zijn schrijverschap. Het heeft iets decadents. In het interview met Bomans (die geen contact had met zijn vader) staat de zin: "Ja, natuurlijk een unhappy childhood is a writers goldmine." Dat geldt (dus) ook voor Ischa als autobiografisch schrijver. Hij staat als auteur op de schouders van zijn ouders. Ik kan me voorstellen dat ze bij het lezen van de "Brief aan mijn moeder" de pijn voelen die de hakken van hun zoon toebrengen. Dat geldt wellicht ook voor zijn eerste vrouw en straks voor zijn zoon. Ischa stelt zichzelf niet mooier voor dan hij is, maar over jezelf schrijven is eigen uitverkiezing. Als je een autobiografisch levensbericht zo nadrukkelijk op anderen schrijft als Ischa doet blijft er van de privacy van die anderen weinig over. En je kunt moeilijk van mevrouw Meijer een "Brief aan mijn zoon" verwachten. Deze moralistische opmerking neemt niet weg, dat Ischa Meijer na zijn interviews een extra-meesterproef heeft afgelegd met zijn auto-interview. Het is even voortreffelijk en even exhibitionistisch als een onthullend toneelstuk.
=========================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Jongetje dat alles goed zou maken, Een / [naw. Connie Palmen ; samenst.: Rob Grootendorst]
|
Jaar van uitgave
|
1996
|
Bron
|
NRC Handelsblad
|
Publicatiedatum
|
15-03-1996
|
Recensent
|
Hans Goedkoop
|
Recensietitel
|
Een koninkrijk voor een herinnering
|
De Dikke Man vertelt hoe hij laatst overhemden stond te strijken en ineens besefte dat alles wat hij over 'die rotoorlog' gehoord had echt gebeurd was. Voor het eerst drong het in volle omvang tot hem door. 'En op een heel rare manier', bekent hij, 'voelde ik me verlost van zoveel beklemming, die me aangereikt was door mijn ouders en Loe de Jong.' Waarop een luisterende Oude Kennis aanvult: 'Niet alleen willen weten dat het geschied is, maar ook willen ontdekken wat er heeft plaatsgevonden - dat is pas de bevrijding'. In die woorden, denk ik, ligt de eerste sleutel tot Een jongetje dat alles goed zou maken, een keuze uit de vele teksten waarin Ischa Meijer in de loop der jaren aan zijn jeugd heeft teruggedacht. De inhoud loopt uiteen van liedjes voor toneelprogramma's en verhaaltjes voor de radio tot Dikke Mannen, de cursiefjes die hij in de vier jaar voor zijn dood voor Het Parool schreef, maar de kern is steeds dezelfde. Dooreen kleinigheid wordt hij herinnerd aan zijn ouders, net als hijzelf overlevenden van Bergen-Belsen, die het kamp nooit te boven kwamen, en hoe pijnlijk het ook is, hij ziet de schimmen onder ogen. Hij. probeert het oude af te schudden door het op te zoeken. Het is de weg die hij al ging in Brief aan mijn moeder uit 1974, de hartekreet die voor het eerst een stem gaf aan wat sindsdien Tweede Generatie heet. Nauwgezet beschrijft hij daar hoe heel het leven thuis beheerst werd door de oorlog, door het kamp, door angst en vijandschap. 'Wat er heeft plaatsgevonden' werd nooit uitgesproken, kampverhalen vonden zijn ouders pathetisch, maar hij ondervond dat de herinneringen alle dagen door de kamers spookten. Elke daad van vader of moeder werd vanzelf gewettigd door hun pijn en offers, elke ongehoorzaamheid van hem werd een bewijs voor zijn ondankbaarheid. 'En ik heb toch altijd zo goed voor je gezorgd', kreeg hij te horen, en als dat niet hielp: 'Jij bent een verrader'. Hij werd afgewezen als een kind met een toekomst, hij moest dienen als een lege huls die op te vullen was met leed van het verleden. Wat hij ook kreeg, geen aandacht. Dat de Brief aan mijn moeder in Een jongetje dat alles goed zou maken ontbreekt is jammer, want het zou in zijn versnipperde werk ineens een ongedachte klare lijn laten zien. Waar de brief afstandelijk en zelfs formeel van toon is, met een ondertoon van bijna huilend pathos, daar breekt in de latere verhalen soms een licht absurd gevoel voor humor door, dat in de schetsen rondom De Dikke Man ten slotte opgepompt wordt tot die onverwisselbare stijl, vol hoofdletters en ander overstatement, die nog wel het meest doet denken aan slapstick. Wat aanvankelijk plechtstatig was, verandert in een dolgedraaid soort stadhuistaal, wat eerst alleen een ondertoon van smart was openbaart zich als een trommelvuur van tegenstrijdige ontroeringen. En het belangrijkste: wat tot nog toe een ik-figuur was, wordt een hij. Een bezig dikkerdje, tot ontploffens toe vol onbruikbare opwinding. Door die ironie, die afstand tot zichzelf, lijkt ook zijn perspectief op het verleden langzaamaan te kantelen. Wanneer zijn ouders overlijden, kort na elkaar in 1993, bezoekt hij voor het eerst in zeker vijftien jaar hun huis - de banden waren volledig verbroken. Hij zit in de oude Engelse stoeltjes, neust in laatjes, bladert door papieren en verbaast zich. Het is allemaal zo 'aardig', ja zo 'lieP, het toont geen spoor meer van de oude onaantastbaarheid en dreiging. Hij merkt dat hij de inrichting het liefst intact zou laten, om de dood nog even uit te stellen, en hij mompelt in zichzelf: 'Een koninkrijk voor een herinnering'. Nog altijd zoekt hij het verleden op, maar dit keer niet meer om het af te schudden. Hij wil het omarmen. Vooral zijn vader, die hij in zijn vrome joodse jongensdagen haast verafgoodde, maakt veel bij hem los. O, Vader / in godsnaam / tot U/ nader, dicht hij. Dat die vader vroeger sloeg als hij in sjoel een fout in het Hebreeuws van de Tora maakte, dat die vader klaagde over zijn 'bedorven aanleg' en honend voorlas uit zijn eerste puberverzen, het wordt meer en meer vergoed door een besef van wat hij met de man gemeen heeft. 'Enerzijds,' zo legt een oude heer hem uit, 'vervloekt u, tot op de dag van vandaag, de wijze waarop uw ouders u gevormd hebben; maar aan de andere kant plukt u daar nog immer de vruchten van - ja, u verdient er in zekere zin uw brood mee.' Dat klinkt op het eerste gehoor wat kras, voor wie zijn Dikke Man kent. Lees De Dikke Man voor altijd, een keuze uit de columns die vrijwel tegelijkertijd met Een jongetje dat alles goed zou maken is verschenen, en je merkt dat het daar stelselmatig gaat om wat die vader hem juist niet meegaf: een hartstocht voor het leven. Wat de mensen rondom De Dikke Man ook doen, een eierwekker kopen of een radioprogramma saboteren, een geliefde missen of een glas of twaalf teveel op hebben, ze doen het met ernst en precisie, want ze weten dat die zogenaamde kleinigheden hun bestaan definiëren. 'Aandacht,' zoals De Dikke Man zegt. 'Het gaat enkel en alleen om aandacht.' Maar ook Meijer senior blijkt daar uiteindelijk niet van verstoken te zijn geweest. De Dikke Man herinnert zich hoe vader op een boekenmarkt in Bern een wedstrijd met hem hield wie het leukste boek kon vinden. Eerst mocht hij, Het Dikke Jongetje, toen zocht vader zelf. Hij naderde een kraampje, hief de handen, liet ze neerdalen om een ordeloze boekenberg uiteen te duwen ('zo spleet Mozes de zee') - en stuitte als vanzelf op Kees, der Junge. Von Theo Thijssen. 'En hij duwde al die boeken weer over Dat Ene Boek. En hij liep door. En ik rende achter hem aan. En ik was trots op hem.' Die trots keert in het jaar na vaders dood voorzichtig in de stukjes terug. De Dikke Man loopt bij het afscheid van de ouderlijke kamers langs de boekenkasten, waar hij bij het eerste weerzien nog van 'walgde', en bekent zichzelf dat er in dertig jaar geen dag voorbijgegaan is dat hij niet gedacht heeft aan die boekerij. Hij hoort van vreemden hoe briljant zijn vader was als leraar, als historicus, en moet weer denken aan de dagen dat de man hem wandelend door Amsterdam vertelde over de geschiedenis. Hij vindt iets terug van zijn eigen motief, zo lijkt het bijna. Altijd graven in verledens. Altijd aandacht.
============================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Mijn broer Ischa : het verhaal van een joods gezin / Mirjam Meijer
|
Jaar van uitgave
|
1996
|
Bron
|
Het Parool
|
Publicatiedatum
|
10-05-1996
|
Recensent
|
Theodor Holman
|
Recensietitel
|
Mirjam Meijer over haar broer Ischa : Dat bizarre gezin waaruit ik voortkwam
|
TOEVAL In 1991 zat ik op een mooie zomerdag op het terras van Bodega Keyzer in Amsterdam. En naast mij ging toen Ischa zitten met twee anderen. Ik groette hem en hij stelde z'n gezelschap voor: "Dit zijn mijn broer en zuster. Dit is Job. Ik heb vijf zintuigen, maar hij heeft vijf doctoraten; en dit is Mirjam. die wil non worden." Dat Ischa zijn familie niet regelmatig zag, wist ik. Ik begreep dan ook dat de ontmoeting iets bijzonders was. Nadat we aan elkaar waren voorgesteld, babbelden we nog even over niets en vervolgens liet ik het gezelschap alleen. Toen Ischa vorig jaar overleed, wilde ik zijn broer en zuster condoleren, maar ik kon ze niet vinden. Er waren op de begrafenis te veel mensen. Na Ischa's dood viel hij niet weg, zoals is gebeurd met Renate Rubinstein en in zekere zin ook met Simon Carmiggelt, maar bleef hij onderwerp van gesprek. Wellicht heeft daartoe bijgedragen dat Connie Palmen Ischa's laatste vriendin was. Zelfs onlangs werd Ischa weer nieuws doordat hij op zijn 22ste jaar een toneelstuk bleek te hebben geschreven dat Carel Alphenaar nog in bezit had. Toen Ischa 22 was, was ik twaalf, en op die leeftijd ontmoette ik Ischa voor het eerst in het huis van een goede vriend van mij. Toeval. Ik heb het al eens eerder geschreven, maar ik mis Ischa nog steeds. Nee, niet als vriend - zo uitzonderlijk hartelijk gingen we niet met elkaar om. Ik mis hem als persoonlijkheid, ik mis z'n mentaliteit. Afgelopen week kreeg ik het boekje Mijn broer lscha opgestuurd, geschreven door Mirjam Meijer. Ik zag haar weer zitten in Keyzer. tussen haar broer Job en Ischa in. Het boekje - 56 pagina's groot - is uitgegeven door de sympathieke uitgeverij De Kan, die eerder een boek heeft uitgegeven, geschreven door Igor Cornelisse, over Jaap Meijer, de vader van Ischa. Hopelijk kan de uitgever ook nog Job strikken om een boek te schrijven. Het boekje van Mirjam is een helder geschreven, wat zal ik zeggen... wonderlijk werkje. Houdt Mirjam van Ischa? Ik citeer de volgende passage: "Als ik terugdenk aan Ischa, is het zeker niet met liefde. Ik vond hem niet aardig, niet sympathiek. Als ik hem vergelijk met mijn ouders, dan concludeer ik dat zij, zelfs mijn vader, mij sympathieker waren dan Ischa. Mijn ouders waren naar mijn idee vooral ziek. Gefrustreerd, bang, labiel. En ook wel nu en dan onbetrouwbaar. Maar hun onbetrouwbaarheid heb ik nooit als op zettelijk gezien; meer als 'bij het pakket labiliteiten inbegrepen'. Terwijl ik de onbetrouwbaarheid van Ischa beklemmend vond, omdat ik die als structureel heb ervaren." Nee, Iiefde heeft Mirjam niet gevoeld voor Ischa. Toch heeft ze dit boekje willen schrijven, waarschijnlijk om het bijna mythische beeld dat 'men' van Ischa heeft in zijn juiste proporties te zien Het boek is geen afrekening; het zit ook niet vol haat - al heeft ze werkelijk weinig goede woorden voor haar broer over. Het niet zozeer geschreven tegen Ischa, als wel voor haar ouders. Mirjam vindt eigenlijk dat Ischa zijn ouders verraden heeft en daardoor een verkeerd beeld van ze geeft, en zij wil dat recht trekken. Dat gaat ten koste van Ischa "Ik mis Ischa niet," zegt ze tegen het eind van het boek. "Maar ik denk wel vaak aan hem. En ook aan mijn ouders. Vooral mijn moeder, van wie ik vroeger veel gehouden heb. Maar ook aan mijn vader. Aan dat hele bizarre gezin, waar ik uit voortkom." Mirjam analyseert het gezin en ziet duidelijk dat Ischa daar beschadigd uit is gekomen. Mirjam ziet dat de oorlog voor Ischa zeker aan de basis heeft gestaan voor zijn latere gedrag, maar ze probeert het beeld dat wij van Ischa hebben te nuanceren. Ze schetst iets van het gezin Meijer - voor mij nog veel te weinig - en dat is veelzeggend. Over de verhouding van de vader en moeder bijvoorbeeld "Hielden ze van elkaar'? Wat is liefde? Ze hielden zeker niet in die zin van elkaar, dat ze elkaar de ruimte gunden. Integendeel. Ze oefenden, voor zover ik dat heb kunnen nagaan, een stevige controle uit op elkaars doen en laten. Wat mijn vader betreft, die legde mijn moeder aan banden via het werk dat ze voor hem moest doen, en ook gewillig deed. Ze was min of meer zijn secretaresse. (...) Maar mijn moeder had zo haar eigen manieren om mijn vader aan de teugel te houden. Methoden die misschien wat subtieler waren, maar minstens zo doeltreffend. Ze zorgde voor hem. En wel zo goed. dat hij zich er nooit meer van heeft los kunnen maken. Ze regelde alles voor hem. Van zijn schone kleren tot zijn schone lakens: van zijn nieuwe tandenborstel tot aan zijn gepoetste schoenen. Onder haar leiding was hij piekfijn verzorgd. wat hij heel prettig vond. Maar ook bepaalde ze wie er uitgenodigd mocht worden, en wie niet: ze regelde zijn afspraken, en ze opende zijn post. Ze had, kortom, zijn dagelijks leven in handen. (...) Ze had zich onmisbaar gemaakt." Twee mensen die elkaar niet wilden verliezen. Twee mensen die zo gewond waren door de oorlog dat die thuis, zij het zonder woorden, in stand wordt gehouden. Het moet in het huis 'beklemmend en angstig' zijn geweest. De ouders, vertelt Mirjam, "raakten steeds meer in een isolement. Zij tweeën tegen de rest van de wereld." Ischa gaat vroeg het huis uit; de spanning was te groot, de ruzies te erg geworden. Jammer dat we niet horen hoe erg precies. Wel lezen we dat Ischa vaak geslagen werd. En we vernemen dat zowel Ischa als zijn vader vocht om de aandacht van de moeder - een gevecht dat vader won. Mirjam schrijft over Ischa: "Keer op keer heeft hij geprobeerd die aandacht alsnog te vangen. Elk boekje, elk interview, elke column, was, denk ik, een boodschap aan zijn ouders. Zo goed ben ik! Vinden jullie me ook goed? Totdat ze doodgingen. Toen kon het niet meer. En toen bleek dat het niet mogelijk was voor hem, zonder ze te leven." Ischa's ouders waren zijn reden van bestaan. Het is, nu ik het voor de derde keer heb gelezen. toch een ontroerend boek geworden. Mirjam Meijer wil een genuanceerder beeld geven van haar ouders en daardoor van Ischa, maar eigenlijk bevestigt ze alleen maar het beeld dat we van Ischa hadden een jongetje dat alles goed wilde maken - en daar niet in zou slagen. Het zou goed zijn als Ischa's uitgever, Mai Spijkers van Prometheus, eens een biografie over Ischa zou laten schrijven. Het kan nu - en het zou een verdomd mooi boek kunnen worden. Ik weet wel iemand die dat kan en wil doen. De tijd is er rijp voor
=============
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Algemeen
|
Jaar van uitgave
|
|
Bron
|
De Volkskrant
|
Publicatiedatum
|
15-02-1995
|
Recensent
|
Ben Haveman
|
Recensietitel
|
Ischa wilde alles kunnen, veel tegelijkertijd
|
'Stampvoetend, hardhandig en hardvochtig, ik ga altijd door.' Zo zag Ischa Meijer zichzelf als Izzy M. Verbaasd over zijn eigen energie. Journalist, toneelcriticus, entertainer, auteur, maar bovenal een superieur interviewer, die de Ursuls, de Karels, de Violets en de Sonja's deed ineenschrompelen tot machteloze dwergen. Volgens Ton Lutz was Meijer 'gewoon een stoute jongen, die mensen zo kon manipuleren, dat ze zeiden wat hij wilde'. DE JONGERENSOCIETEIT So What te Gouda werd die novemberavond bezocht door enkele kennelijk toevallige passanten, wier gemeenschappelijk doel het slechts leek om te schuilen voor de grimmige weersgesteldheid. Bier drinkend hingen de verdwaalden bij de toog, amper notitie nemend van het podiumpje waarop een gezette entertainer zenuwachtig ronddribbelde. Toen die zich tegen half twaalf in verkreukeld pak had gehesen en een roze bolhoed had opgezet bleek het publiek inmiddels aangegroeid tot twintig personen. Je spéélt, besliste de vriendin van de entertainer. Ischa Meijer was synoniem voor dóórgaan. 'Stampvoetend, hardhandig en hardvochtig ik ga altijd door.' In deze regels ontwaart hij zichzelf in de spiegel als Izzy M., oftewel de Amsterdamse Lenny Bruce, of liever de Nederlandse Lenny Tailleur de intellectuele Snip & Snap. Dan ging het over God, het jodendom, sex, de Tweede Wereldoorlog, altijd weer. Moet dat weer? Ja dat moet, ik overleef ze allemaal de recensenten.' De entertainer die als kind Bergen-Belsen had overleefd, schreef z`n eigen grappen. vaak 's nachts met een fles whisky binnen handbereik. 'Wat is een kamp? Er staat op elke hoek een wachttoren met soldaten daartussen is prikkeldraad gespannen... En toch is het mij gelukt om binnen te komen. Hij wilde alles kunnen. Veel tegelijkertijd. Zijn energie verbaasde hem zelf. Ik denk soms: waar haal je het vandaan, waar heb je het in godsnaam over? Overdag een rolletje in een film met André van Duin, `s avonds in een show met lenny Arean en tussendoor weer journalist; voor een interview met Den Uyl, die om half zeven `s ochtends sprak over zijn vete met Van Agt. 'Superieure journalistiek kunnen bedrijven en toneel mogen spelen`, dat noemde Ischa Meijer begin jaren tachtig de moeilijkste en tegelijk meest luxueuze kant van zijn ietwat schizoïde bestaan. Als showman minder serieus genomen, als reporter des te meer. In De Nieuwe Linie, Haagse Post en Het Parool had Meijer laten zien waar luisteraars naar VPRO en kijkers naar RTL 5 later speciaal voor gingen zitten: het superieure vraaggesprek van de vakman die de Ursuls, de Karels, de Violets en de Sonja`s deed ineenschrompelen tot machteloze dwergen. Soms véél Ischa, met die lawaaiige overdosis aan unfaire interrupties. Maar voorbij die gimmick van boosaardigheid en cynisme ontstonden meestal journalistieke juweeltjes. Nooit voorgekookt, in tegenstelling tot de meeste Hilversumse talkshows. Ischa was zelf jaren in psycho-analyse geweest om als een volwaardig therapeut in een sfeer van vertrouwelijkheid en toch razend snel laag voor laag bij zijn gast te ontpellen onder het motto: 'Ik ben iemand voor wie je moet oppassen, maar dat vind ik eigenlijk zelf de leukste mensen.` Gevreesd was hij als toneelrecensent al. Een onoprechte actrice was voor Meijer een 'actreutel', een recensent die zo iemand bewonderde, heette een 'kwijlebabbel'. Menige actrice laat nog haar plasje lopen bij de herinnering aan zijn toneelkritieken zo herinnerde zich iemand tien jaar geleden nog. Als theatercriticus ging Meijer als een beest tekeer. De Actie Tomaat, daar was hij tegen; zag dat als gedoe van lieden die zijn markt kwamen versiteren. Hij schreef toneel en beschouwde zijn acteurs als verlossers, misschien waren zij wel de voorbodes van de Messias die komt. Als ze in de concentratiekampen walkmans hadden gehad, zouden ze er niet zo chagrijnig hebben rondgelopen.` Izzy M, der sympathische Jude, mocht die grap maken en hij doet dat in 1983 in Berlijn waar het publiek er verlegen van wordt. Voor hem is het de situatie van mijn generatie oorlogsslachtoffers heel goed onder woorden brengen in een tijd dat dat niet zo en vogue was`. Hij kreeg het aan de stok met organisaties van oud-verzetsstrijders omdat hij verzetsmensen voor het overgrote deel 'halfgare avonturiers` noemde. De exploitatie van Anne Frank noemde hij 'prostitutie op het jodenleed`. En antisemieten daar had hij eerlijk gezegd niets tegen. Want ik leef ervan.` Een paar jaar later zou hij aan waanvoorstellingen lijden. De mensen die hij interviewde, namen andere gedaanten aan zodat hij eens dacht: 'Vandaag interview ik de Verlosser. Ik vond het prima, nam af en toe gewoon even de trein naar de hemel.' 'Zwerver' Ischa Meijer had begin jaren tachtig het taboe op hoerenlopen ('dat is je verdriet in een ander stoppen`) op een kier gezet. De grote speurtocht naar het nul-contact leverde deze prachtzinnen in het boekje Hoeren op: 'Ergens, achter een raam, zit een meisje. Ze slaapt half. Een welhaast vergeten glimlach. De flauw opgetrokken mondhoeken houden voor mij eerder een bevestiging in dan een uitnodiging. Ik hoef niet bang te zijn.' Als interviewer, onder meer voor Het Vervolg in de Volkskrant, kwam hij 'niet met getrokken pistool binnen'. Maar 'soms is het nodig een gebouw te laten instorten en moet je ergens een pikhouweel tussen krijgen'. Voor Vrij Nederland (want met ruzie om geld weg bij de Volkskrant) lukte dat behoorlijk geruchtmakend. Mart Smeets kreeg bij Studio Sport bijna z'n congé en ook burgemeester Bram Peper praatte z'n mond voorbij. De interviews liet hij tevoren lezen. Die eis stelde hij ook aan anderen die hem kwamen interviewen. 'Als je schrijft: Ischa Meijer woont samen met een gebochelde, tandeloze tachtigjarige, dan zal ik je vragen dat 'tandeloze' te schrappen.' Hij ontmoette schrijfster Connie Palmen, de zwerver kreeg rust. Als De Dikke Man schreef Meijer de laatste jaren een column in Het Parool, op de plaats waar vroeger de Kronkel van Simon Carmiggelt stond. Niet voor iedereen was De Dikke Man (met zijn werkwoorden als 'middenstanderen', 'toonlozen' en 'Dikkemannen') Carmiggelts gedroomde opvolger. Ischa's lezerspubliek viel in pro en contra uiteen, maar leek zich even te verenigen toen hij de schrijnende herinneringen opschreef aan zijn ouders, die zomer 1993 kort na elkaar stierven. Hij had ze in geen jaren gezien. 'Ik heb van niemand in mijn leven zoveel gehouden als van mijn vader', zei Ischa eens. 'Hij heeft me bezeerd. Elke keer als ik hem een blijk van liefde gaf, ging hij er met zijn grote poten op staan... Hij kwam binnen en en zei: "Zo, daar hebben we hem, het mislukte genie".' In Brief aan mijn moeder had Ischa in 1974 de breuk met zijn ouders verklaard. Omdat hij zich slachtoffer voelde van slachtoffers. 'Ik vond het wel prettig dat de dood van mijn ouders bewerkstelligde dat ik een hoop post kreeg en dat de mensen me condoleerden.' (in de Volkskrant van 11 december 1993). 'Ik had eindelijk ouders. Ik weet nog wel dat Freek de Jonge kwam eten, ik wou met iemand praten toen mijn moeder overleden was. En toen zei Freek: "Je hebt het cadeautje gekregen en nu moet je het eindelijk uitpakken." Dat vond ik mooi. Zo'n beeld. Ik kon ook eindelijk vrij over ze praten. Er was een barrière opgeheven'. Doorgaan. 'Weer aan de arbeid!', schreef De Dikke Man gisteren, weer hersteld van een griepje. Zijn laatste regel. Net nu hij milder dreigde te worden, wordt maarschalk Meijer bijgezet in de erehemel van de journalistiek. Er was hem wel minder beloofd: door de jaloerse, dronke theatercriticus die Ischa indertijd toebeet 'dat er over mij geen leuk artikel in de krant zou komen zolang ik niet was doodgegaan'.
==========================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Algemeen
|
Jaar van uitgave
|
|
Bron
|
Elsevier
|
Publicatiedatum
|
10-09-1988
|
Recensent
|
Hugo Camps
|
Recensietitel
|
Er is in Nederland te weinig hypocrisie
|
Geïnspireerd door Fassbinder en andere affaires schreef en regisseerde Ischa Meijer een toneelstuk, Ons Dorp, de schoonheid en het leven, dat deze week in première ging. Het stuk handelt over de tweede generatie oorlogsslachtoffers die het leed van hun ouders nog geen goed kunnen doen. In een gesprek met Ischa Meijer wordt, zoals gebruikelijk bij deze schrijver, het ene heilige huisje na het andere omver gehaald.
`Vernedering en pijn van ouders is niet te hebben voor kinderen. Daar valt eigenlijk niet mee te leven. Een kind kan niet opgroeien tegen het leed van vader en moeder. Dat wist ik al van heel jongsaf. En dus moest ik van mijn ouders andere mensen maken, want met de figuren die door het huis spookten viel niet te leven. Kortom, mijn hele jeugd heb ik een toneelstuk doorgebracht. Daar gaat dit toneelstuk ook over: de grauwe werkelijkheid als onverteerbare brok, die een ongelooflijke ambivalentie heeft aangericht bij mijn generatie of, beter gezegd, bij de tweede generatie oorlogsslachtoffers. Kinderen die de verminkingen van hun ouders in eigen beheer moesten nemen en die in de ogen van die ouders toch geen goed kunnen doen. Een dilemma dat ik vijftien jaar geleden al voorspelde in dat visionaire en ontzettend aardig boekje van me. Brief aan mijn moeder. Nu is het dan zo ver: die tweede generatie wordt door de ouders nog alleen als handpoppen gebruikt.' Bij de suggestie dat vergeten misschien efficiënter was geweest, breekt Ischa Meijer in een korte maar hevige tirade los. `Vergeten komt in mijn vocabulaire niet voor. Het lijkt me zinloos en onverstandig. Is ook niet goed voor het talent. De meest gruwelijke werkelijkheid is toch een bron van creativiteit. Je zou wel gek zijn om te vergeten. Dan ben je gelijk je broodwinning kwijt. De dienster van het café komt een kaars aansteken. Voor Ischa Meijer het sein om drie minuten ingetogen alleen te zijn. De blik heeft nu iets verstards gekregen. Glazig. Ontwakend richt hij zich bestraffend tot mij: `U vindt dat natuurlijk een detail zo'n kaars. Het is de kosmos, meneer. En zag u de concentratie van die vrouw voor een ogenschijnlijk routineuze handeling? Alsof ze zich afvroeg: moet die kaars nu aan een kant of aan meerdere kanten druipen? Ik zie alles, ja. Dat komt door mijn nieuwsgierigheid. Ik ben op het ziekelijke af nieuwsgierig. Ik wil altijd alles weten, van kaarsen, fornuizen in de keukens van restaurants, de bouw van torens ... het maakt niet uit. Altijd wanhopig op zoek naar stelping. Zonder nieuwsgierigheid ontstaat geen kunstwerk. En ik geloof in concentratie. Wat dat betreft waren de kampen nog niet zo slecht. Misschien dat ik het daarvan heb.' Het klassieke beeld van Ischa Meijer als een treurige, gekwelde man valt vandaag mee. De stemming van de kleine dondersteen lijkt wat milder. Al ziet hij ook nu ijdeltuiten en andere vijanden nog graag in hun eigen messen tuimelen. En Meijer blijft natuurlijk Meijer: de stigma's en de trauma's zijn er ook mee te koketteren. Persoonlijke ellende wereldkundig maken blijft zijn tweede natuur. Maar hij gaat niet gebukt onder het (beschadigde) leven. `Ach jongen, ik ben niet zo'n verdrietig iemand meer. Die slachtoffer-achtige status vond ik toch vervelend. Eigenlijk mag ik niet klagen. Ik heb mijn artistieke brood. En elke dag gaat er ook een schilfertje van de grote, peilloze depressie af. Ik ben begonnen met een grote, bijna onoverkomelijke achterstand, maar in die vijfenveertig jaar is het leven toch steeds leuker geworden. Kleurrijker ook, smaakvoller, dieper en doorzichtiger. Dat is dan de winst. De vraag of hij die verlossing zelf afgedwongen heeft interesseert hem niet. Hij wil ook niet horen van theater als een soort therapie. Zijn vluchtroute uit het dal van misère is concreet. Ischa Meijer: `Mijn acteurs verlossen mij van veel. Zij dragen deeltjes van de verlossing aan. Misschien zijn ze wel de voorbodes van de Messias die komt. Ik kan tijdens repetities vaak ten diepste ontroerd zijn. Daar blijkt dan dat wat ik geschreven heb goed is. Acteurs geven hun gevoelens vaak in procuratie: je kunt het zelf niet adequaat uitdrukken, dus verzamel je mensen om je heen die dat wel kunnen. Ik kan daar kort over zijn: het theater heeft mij verlost van veel nodeloze angsten en van te veel neurotische trekjes. Acteurs werken met emoties en laten dus zien hoe je emoties op wieltjes kunt zetten, hoe je ze kunt verrijden. Dat is buitengewoon interessant. Het theater heeft me gepersonaliseerd, me van mijn depersonalisatie afgeholpen. En dat wil wat zeggen voor iemand die als zondebok is geboren. Maar ja, je ziet natuurlijk je eigen blinde vlek niet. Een mens weet niet altijd hoe depressief hij eigenlijk is. Vooral niet als je jaren na dato nog steeds bezig moest blijven met een imaginair gezin, met het beredderen van het leed van je ouders, zeg maar. In mijn jeugd ben ik nooit aan mezelf toegekomen. Dat was iets voor later.'
Geoefend waarnemer We eten in het Amsterdamse restaurant Sancerre. Meijer lijkt er kind aan huis. Monumentale tafelzit, een beetje pasja-achtig. Maar scherp toekijkend op elke vlieg die zich verplaatst. Niets ontgaat hem. Wie binnenkomt wordt geoordeeld. Op de kleur van haar jasje, het montuur van zijn bril of de stilte waarmee getafeld wordt. De geoefende waarnemer kijkt geamuseerd toe. Vooral de strik in de haren van Siny, het mooie dienstertje, wordt nu door Meijer langdurig gevolgd. Dan tot mij: `Kijk wat daar gebeurt. Die strik staat volledig los-van haar fysionomie. Dit gaat ver boven de schoonheid uit.' De regisseur verduidelijkt dat niets hem meer kan boeien dan kitsch. Dit zou misschien een verklaring kunnen zijn voor zijn passie voor theater. `Theater kan wat geen enkel ander medium kan: kitsch en echtheid naast elkaar laten bestaan op een hele krakkemikkige manier. Dat boeit me mateloos. Op film kun je iemand niet in een kartonnen bos laten spelen, in het theater is dat perfect mogelijk. Ik heb nu voor Ons dorp, de schoonheid en het leven een decor laten bouwen met een rare trap en een wiebelende wand. Het trillen van zo'n wand kan me tranen toe ontroeren. Veel meer dan wanneer een hondje voor mijn ogen wordt overreden. In mijn vorige toneelstuk liet ik een volwassene op een paddestoel met rode witte stippen zitten om een ernstige monoloog over het leven uit te spreken. Prachtig vond ik dat. Kitsch behoort tot de wereld van de schijn. Maar schijn kan ook heel echt zijn, het moet een hele harde kern hebben. Niets is verukkelijker dan de schijn ophouden. De echte Ischa Meijers is volstrekt oninteressant, daar zit kraak noch smaak aan. Ik wilde dat men mij zou accepteren in mijn onechtheid, want die is veel interessanter. Onecht durven zijn, daar komt het op aan. De hypocrisie aandurven is een boeiend artistiek gegeven.' De ex-journalist Meijer gebiedt nu het bandje in de recorder om te draaien. `Want wat nu volgt is uitermate verhelderend en interessant.' De auteur wordt even acteur. Hij gaat anders zitten, legt de handen plechtig op tafel en tovert een etherisch waas over het gezicht. Ischa Meijer is klaar voor een diepzinnig betoog. `We hadden het dus over kitsch, schijn en hypocrisie. Ik hou van hypocriet. Echt stiekem vind ik leuk. In de Nederlandse samenleving is te weinig hypocrisie. Het enige wat ze hier stiekem doen is neuken. Voor de rest is alles open, rechttoe, rechtaan. Jammer is dat. Het gevolg van dit gebrek aan hypocrisie is: weinig elegantie, geef verfijnde keuken, onbeschoftheid. Nederlanders weten geen raad met de onechtheid van Wagner en de Schmalz van Mahler. Gisteren nog zat ik met grote hartstocht naar de Vijfde Sympfonie van Mahler te luisteren. Het was zo herkenbaar: de pose, dat onechte, het etaleren van het leed, zij het vreugdevol in vorm gebracht. Schitterend is dat hoe Mahler zijn onechtheid gestalte kan geven, zich daarin durft te wentelen. Tot mijn schande vind ik Mahler dan ook een geestige componist. `Mahler moet door goden als Bernstein of Eliahu Inbal gespeeld worden. Die laten de Spielerei van de componist zien. Meer nog. Bernstein is de hypocrisie die Mahler tegemoet treedt. Onze Bernard Haitink kan dat niet. Haitink is de echtheid die de tover van Mahler niet begrijpt en dus een breilap van melancholie laat horen. Hij kan niet, zoals Bernstein, de jood uit New York, laten zien hoe je kan spelen met de onechte kanten van het verdriet. Haitink is de wereld die ik verfoei, dat straighte, die saaie melancholie.'
Leuke klootzak Volgens Ischa Meijer weten joden beter hoe er met kitsch en schijn moet worden omgegaan. `Misschien heb ik zelf van het verdriet om me heen kitsch gemaakt. Ik ben gevormd door een oosterse traditie. De calvinistische aanpak van de bijbel interesseert me niet. Ik hou van een beetje valsige aanpak. De echte jood pakt de bijbel vals aan. Die ziet duidelijk dat Jozef een klootzak was, maar geniet ook van de lol die daarbij hoort. Nederlanders begrijpen dat niet. Hun fantasie is ontoereikend om in te zien dat een klootzak ook leuk kan zijn.
Meijer heeft in het theater nog een geluk aangeboord dat de journalistiek hem niet of toch veel minder kon verschaffen. `Ik hou van kunstjes doen. Ik ben nu vijfenveertig jaar en ik mag nog naar kunstjes kijken en kunstjes doen. Dat ik als ouwe man nog met die rare dingen mijn brood kan verdienen is toch heel leuk. Vervoering is toch: een acteur 28 geestelijke salto's zien draaien op een scène. Toen ik zes jaar oud was had je nog het circus in Carré. Dagelijks liep ik daar naartoe. Ik zag dan hoe die leeuwen door de gangen geleid werden. Die sensatie... Van dan af wist ik dat ik later ook met die sfeer te maken wilde hebben, Dat ik ook in mijn leven iets van spanning wilde oproepen van de leeuw die door een getraliede gang loopt. Wel, die spanning is er nu als het doek opwolkt. Een groot rood doek, aangegloeid door het voetlicht.
`Nee, die spanning leidt niet meer tot angst voor het publiek. Bij elke show was er wel de eenzaamheid. Het besef ook dat ik naar de meest onveilige plek optrok. Die doodsangst hóórt er ook te zijn. Want je knapt toch iets op wat anderen niet op durven knappen. Al die mensen die maar roepen: "`Hé, ik zou ook graag acteur willen zijn', weten natuurlijk niet hoeveel leeuwenmoed er voor dit vak nodig is. Maar de angsten verplaatsen zich met de jaren. Ik ben nu ook niet meer bang voor de eenzaamheid. Vroeger was ik bang om alleen te zijn, nu vind ik het heerlijk. Ik kan me nu op m'n best vermaken als ik alleen ben. Kranten lezen, dingen bedenken, televisie kijken.
`Een vrouw om mee te leven, vraagt u? Die is voorlopig niet toegestaan, Wel een gezellig maatje. Maar dat lijkt me een redelijke eis. Die kan ingewilligd worden, toch?'
Kritiek Met enige trots deelt Ischa Meijer mee dat Ton Lutz naar de repetitie is komen kijken. De oude meester heeft aantekeningen gemaakt, en veel waardevolle aanwijzingen gegeven. `Ik ben een typische leerling', zegt Meijer. `Ik hou van leren. En van iemand als Ton steek je altijd wat op. Het is toch best leuk als mensen dingen voor je oplossen. Hans van Manen, was ook zo'n prachtige leermeester van me. Die heeft me gevormd, herschoold en een eigen manier van denken aangeleerd. Ik heb zelfs balletjes van Van Manen gedanst, terwijl mijn dans toch niet je dàt was. Kritiek van goeie leraren hindert me nooit. Bovendien, echt goeie leraren hebben nooit zo veel kritiek. Die weten ook wel hoe moeilijk iets kan zijn. Kritiek, mits op een bepaalde manier gebracht, is prima. Ik kan tegenwoordig zelfs met onrechtvaardige kritiek leven.' Dat is ooit anders geweest.
`Wat critici van me denken heeft me nooit geïnteresseerd. Maar soms ben ik wel verbaasd hoe ver de agressie kan gaan die ik bij sommigen blijk op te roepen. Laatst ontmoette ik een critici van NRC Handelsblad in een kroeg. Hij was stomdronken maar nog helder genoeg van geest om me voor te houden dat er over mij geen leuk artikel in de krant kon komen zolang ik niet was doodgegaan. Dat gaat toch ver, vindt u niet? Zo'n man die tegen je zegt: je had beter in één klap dood kunnen zijn. Hoe diep zit zo'n agressie dan, vraag ik me af. Dieper dan jaloezie lijkt me niet mogelijk. Het zal ook wel te maken hebben met mijn vertrek uit de journalistiek. Dat je een goeie journalist bent vindt dat soort heren leuk. Want ze weten natuurlijk dat ik het vak mee heb opgetild. Maar dat ik het vak ook durfde te verlaten wordt dan weer als heiligschennis beschouwd. Het zij zo.' `De helden van mijn jeugd wekken gedachten, bange gedachten. Ideeën. Iemand moest hem belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads gedaan had, werd hij op een ochtend gearresteerd. Zulk soort figuren. Ik liep hand in hand met hen. Met bange gedachten. Ik bedoel, dit alles komt mij niet onbekend voor. Ik ben gewend mijn eigen wereld te creëren: weliswaar een angstige omgeving, maar daarom niet minder vertrouwd.' Aldus de Rijke Jood in Ons dorp, de schoonheid en het leven. De titel geeft al aan dat het nieuwe stuk van Meijer - een parabel in drie bedrijven - geïnspireerd is door onder meer de Fassbinder-affaire. Ook door antisemitisme? Ischa Meijer: `Er zijn geen betere antisemieten dan de joden zelf. Voor mijn vader was de wereld opgedeeld in twee categorieën: joden en antisemieten. Maar ik heb daar niet zo'n last van. Ik kom ook wel eens sympathieke niet-joden tegen. Tot mijn verbazing, maar toch.' In mijn vorige toneelstuk, De impresario, spelen alleen maar joden. De niet-joodse acteurs hadden daar helemaal geen moeite mee. Wat bewijst dat? Dat er geen verschil is tussen joden en niet-joden. Dat jood-zijn stelt helemaal geen ene moer voor. Het gaat erom hoe de ene mens met de andere omgaat. En vooral dat de ene mens zich niet boven de andere stelt.'
Het echec van Ben Goerion Wat dit laatste betreft is de auteur-regisseur danig ontgoocheld over Israël. `Als de witte elite zich stelt boven het zwarte proletariaat - wat dus in Israël is gebeurd - ja dan heb je alle oorlogen al verloren. Het echec van Ben Goerion en de zijnen heb ik al in een vroeg stadium zien aankomen. Ik ben dus niet zo verbaasd over wat er momenteel in Israël aan de hand is. Zo gaat dat. Het spijt me, maar de Israëli's doen het niet goed. Die Palestijnse jongetjes met de stenen in de hand hebben natuurlijk gelijk. Onlangs zag ik een reportage over dat vreselijke kamp in de Sinaï waar de Israëli's de Palestijnen dumpen zonder enige vorm van proces. Dom, dom, héél dom.' Dichter bij huis is Meijer ook niet te spreken over het niveau waarop de hele Fassbinder-discussie hier destijds gevoerd werd. `Volstrekt ondermaats was dat. Soetendorp heeft dat heel slecht aangepakt. Als ik de hoofdrol had gespeeld zou hij niet zo van mij afgekomen zijn. Soetendorp gaat mij toch niet vertellen wat ik wel of niet zou mogen spelen. Ach, Avraham is een generatiegenoot van me; maar het is een gemiste kans dat de discussie niet tussen ons beiden gevoerd is. Er zou dan een heel ander niveau zijn ontstaan. Een niveau dat Jules Croiset niet haalde. Overigens, voor Croisets actie heb ik begrip en minachting. Beide, dat is mijn eeuwige ambivalentie. Maar ja, ik beschik over een machtig wapen om mijzelf in toom te houden: de pen. Dat heb ik mij dan verschaft.
Een versnipperd talent, zoals Meijer er een is, staat eigenlijk haaks op de joodse traditie. Maar de journalist-auteur-regisseur heeft ook daarvoor een gepaste uitleg. `Ik heb een heel smal talent en mijn veelvuldigheid ontstaat uit dat besef. Ik moet vele dingen aanpakken om niet voortdurend geconfronteerd te worden met het tekort. En u vergist zich, ik heb absoluut geen drang naar exclusiviteit. Dat gevoel ken ik alleen als ik gedichten schrijf. Daarvoor moet ik ook steeds een aantal dingen voor mezelf geheim houden. Wie zichzelf niet meer voor raadsels zet, kan geen poëzie meer schrijven.
`Tot verbijstering van velen heb ik met alles wat ik gedaan heb veel succes gehad. Omdat ik het vaak niet gecontinueerd heb, ontstond bij mensen achteraf wel eens de idee dat ik succesloos bleef. Wie vaak van stiel verandert, krijgt zo'n stigma mee. Maar dat is in mijn geval dan beslist onterecht. Ik voel mij geen mislukkeling.
`Spijt,' zegt Ischa Meijer, `is een begrip dat in mijn leven niet meer voorkomt. `Niet over zijn vrouwen, zijn ouders, zijn grappen over Jezus en ook niet over zijn dubieuze commentaren op Adolf Hitler.
`Ach, met die Hitler werd me natuurlijk het lot toegewezen van de onbegrepene. Het ging er mij om aan te tonen dat je de mensen soms dankbaar moet zijn om het opgelopen stigma. Al was het maar omdat een stigma ook creatief kan uitpakken. De opperste vijand is altijd interessant als symbool. Daarom beweer ik dat vijanden vaak van een grote schoonheid zijn. Die magie die hen omgeeft en waaraan ze ook kapot gaan. Kijk, als ik het Duizendjarig Rijk had mogen leiden, zou ik wat andere prioriteiten hebben gevolgd. Ik zou dan gedacht hebben, ach, die joden komen later wel eens aan de beurt, laat ik nu eerst de boel maar eens goed ordenen. Maar mijn verlichte geest was helaas niet geroepen tot het uittesten van die logica.' `Men noemt mij wel een dromerige type, maar ik bezit slechts de fantasieën van een vluchteling.' Aldus de Rijke Jood in Ons dorp, de schoonheid en het leven. Ischa Meijer wacht de vraag niet eens af. `Ik weet waar u naar toe wil. U zou graag vernemen of mijn vluchtkoffertje nog steeds klaar staat. Ik zal me natuurlijk niet gauw laten grijpen. Tot mijn dertigste heb ik met al mijn geld op zak gelopen. Dat is nu voorbij. Ik heb nu ook een keurige bankrekening en leef een rustig en burgerlijk leven in deze stad. Ik hou van Amsterdam, jammer is dat, maar het is niet anders. Dat honkvastige komt misschien ook door de jaren. En ik kan op zaterdag ook de Volkskrant niet meer missen. Al die contact-advertenties verslind ik. Heel fascinerend. Iedereen vraagt daarin om geluk. Ze doen het heel omslachtig, maar die advertenties zijn één grote smeekbede om geluk. Ja, dat moet ik toegeven: enig jaloers leedvermaak is me dan niet vreemd.'
=========================
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Interviewer, De : 50 interviews uit 25 jaar interviewen / [samenstelling en verantwoording Connie Palmen ... et al.]
|
Jaar van uitgave
|
1999
|
Bron
|
Trouw
|
Publicatiedatum
|
27-02-1999
|
Recensent
|
Ruud Verdonck
|
Recensietitel
|
Ischa's interviews zakten nooit in tot loos gebabbel
|
Er is een aantal keren wel ellende ontstaan naar aanleiding van interviews die de drie jaar geleden overleden Ischa Meijer maakte, maar het opmerkelijke is dat er nooit aanmerkingen waren op zijn weergave van het besprokene. Mart Smeets vloog er in 1984 bijna uit bij Studio Sport omdat hij zijn baas Carel Enkelaar ('een tiran)' en zijn chef Kees Boerhout verweet 'geen reet' van sport te weten. Maar hij begon zijn verdediging met toe te geven dat hij het allemaal precies zo had gezegd als Meijer het had opgetekend. Zoals ook het toenmalige echtpaar Peper alleen maar moest toegeven dat er weliswaar behoorlijk bij ingenomen was, maar dat Ischa Meijer geen woord verzonnen of gelogen had. Nog steeds leest dat laatste interview trouwens als een dolkomische eenakter. Beide interviews zijn opgenomen in de bundel 'De interviewer' waarin ruwweg tien procent staat van alle grote geschreven interviews van Meijer. Het wringt om drie keer hetzelfde woord in één zin te schrijven, maar dat is nu eenmaal het woord, het zijn geen gesprekken of ondervragingen. Het zijn interviews op z'n Ischa Meijers. Als zodanig hoort de bundel op het nachtkastje van elke journalist te liggen die zich wel eens aan een groot vraaggesprek waagt. Dat die kritiek er nooit kwam, is ook opmerkelijk aan de hand van enkele citaten van Meijer zelf over het genre. Die zijn als inleiding in het boek opgenomen. Dat hij niet één sessie hield, maar soms wel vier, omdat hij maar niet tot de kern kon doordringen. En hoe hij daarna thuis aan het componeren sloeg, tot elke zin op z'n plaats stond, het verhaal het juiste tempo had en nergens inzakte onder loos gebabbel. Elk interview zoals afgedrukt was Meijers bewerking van de werkelijkheid, maar blijkbaar zodanig, dat iedereen in die prachtige woordenstroom zijn eigen monoloog herkende. De interviews in deze door Connie Palmen en Rob Grootendorst bezorgde bundel geven een goed beeld van dit deel van Meijers carrière. Van het eerste met zanger Boudewijn de Groot in 1966 voor wijlen De Nieuwe Linie, tot en met het laatste met acteur Edwin de Vries in 1995 voor Vrij Nederland. Het begint als een interviewtje met Meijer prominenter aanwezig dan De Groot en het eindigt met een compleet verhaal waarin de schrijver vrijwel verdwenen is. Maar behalve verplicht werk voor aankomende journalisten maken de interviews een andere pretentie van de bundel waar. Het is een redelijk complete geschiedschrijving van Nederland tussen '66 en '95. Ook dat behoort tot de verdiensten van Meijer, want hij zocht essenties in de geïnterviewden, vond ze en componeerde daar vervolgens een historie van. Het boek eindigt met een overzicht van alle 495 interviews die Ischa Meijer maakte voor respectievelijk Avenue, de Haagse Post, De Nieuwe Linie, Nieuwe Revue, Het Parool, Vrij Nederland en de Volkskrant. De lange lijst leert dat een deel van Ischa Meijers werk te bundelen moet zijn als een staalkaart van joods Nederland na de oorlog over '40-'45. Meijers gecompliceerde persoonlijkheid, uitgediept in een aantal boeken, verdient ook die context.
==============
Schrijver
|
Meijer, Ischa
|
Titel
|
Mijn lieve ouders
|
Jaar van uitgave
|
1993
|
Bron
|
PZC : provinciale Zeeuwse courant
|
Publicatiedatum
|
17-12-1993
|
Recensent
|
Hans Warren
|
Recensietitel
|
|
Een van de eerste keren dat ik Ischa Meijer ontmoette, in augustus 1975, hij was toen tweeëndertig, greep hij een cahier waarin ik notities maakte en vroeg: 'Mag ik er ook iets inzetten?' Zo staat daar tussen een schokkend vers I am van de gestoorde John Clare (1793-1864) en een paar aantekeningen uit de Gedenkschriften van Generaal Makriyannis (1797-1864) in Ischaäs verzorgde handschrift dit Sonnet, opgeschreven voor Hans Warren': Soms loop ik s nachts naar het Victorieplein, Als kind heb ik daar namelijk gewoond. Aan vaders hand zijn zoon te zijn Op moeders schoot te zijn beloond Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga. De vrieskou in mijn jas laat dringen Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen Terwijl ik roerloos in de deurpost sta Om thuis te komen. En zo simpel is de gang Om tot dit moeilijk inzicht te geraken.. Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang Naar iemand die nooit kon bestaan: Een jongetje dat alles goed zou maken - de tijd die stilstond en hem liet begaan. Een gedicht dat me direct sterk trof, omdat ik niet zolang voordien Ischa Meijers geruchtmakende Brief aan mijn moeder e 1974 > gelezen en besproken had. Een aangrijpend document waarin een zoon zijn ouders enerzijds vernietigend aanklaagt, maar anderzijds begrip opbrengt voor hun falen in de extreme en onmenselijke taak die zij moesten volbrengen. Een verpletterende brief, die toch ook één schreeuw om liefde was. Bergen Belsen Ischa Meijer, in februari 1943 geboren, zoon van een zeer orthodox-Joodse vader en een niet gelovige moeder werd als zuigeling met zijn ouders gedeporteerd naar Bergen Belsen. Zij overleefden alle drie. De vader, Jaap Meijer, 1912-1993 verwierf later faam als historicus en publicist, en gaf onder het pseudoniem Saul van Messel ook bundels gedichten uit. Later werd in het gezin nog een dochter en een zoon geboren. Wat er allemaal gebeurd mag zijn, waar de schuld, de zwakheid, de overmacht ook gelegen mag hebben, een feit is het dat in het gezin van Jaap Meijer de verhouding tussen de ouders en de oudste zoon nooit goed is geweest. En nadat zij hij op ongeveer twintigjarige leeftijd op kamers gezet hadden is het ook niet meer goed gekomen. Tussen de regels van Ischa Meijers geschriften door kan men lezen dat ook de band met de later geboren kinderen nauwelijks bestond. Daarentegen zijn de echtelieden na heftige onenigheden in~' het verleden tot een hecht en onscheidbaar paar geworden die niet zonder elkaar meer konden. Zij overleden binnen een maand na elkaar in de zomer van 1993. Ischa had de laatste vijftien jaren geen enkel contact meer met hen gehad, en in dertig jaar, sinds zijn twintigste, zijn moeder tien, zijn vader driemaal ontmoet. Door eerlijk over deze situatie te schrijven omcirkelt en doorbreekt hij een van de laatste taboes in onze samenleving. Liefde van ouders voor hun kinderen en liefde van kinderen voor hun ouders, liefde tussen broers en zusters onderling die behoort er eenvoudig te zijn, en als het niet zo is, dan schaamt men zich, voelt men zich te kort schieten, zo niet ontaard Ouders die een hartgrondige afkeer voelen voor een of meer van hun kinderen een kind dat een bloedhekel aan zijn vader of moeder heeft broers en zusters die elkaar het liefst zagen sterven, om welke reden dan ook - men vindt ze overal, maar men zwijgt er zoveel mogelijk over want het straalt negatief op je af. Zelfs intieme vrienden zullen zelden een vraag stellen, het onderwerp wordt te pijnlijk geacht. Ondertussen tobben de personen in kwestie verder. want meestal is er één van beide partijen die zich afvraagt hoe en waarom, gekweld wordt door schuldgevoelens die onbespreekbaar zijn geworden. Zelfs voor uitwerking in een of andere literaire vorm wordt dit onderwerp vaak vermeden. Columns Niet aldus door Ischa Meijer, die in Mijn lieve Ouders het probleem van deze verstoorde relatie weer vanuit allerlei invalshoeken belicht. Hij laat dit voorafgaan door het 'Sonnet' dat al in mijn cahier van 1975 staat. Verder bevat het boek een 35-tal 'Dikke Man columns' zoals die in Het Parool verschenen zijn. 'Dikke Man-columns' zijn bijna al. tijd intrigerende stukjes met een luchtige toon, ook wanneer ze over interessantste onderwerpen handelen. Ischa Meijer bezigt daarin twee stijlfiguren op nogal nadrukkelijke wijze. Hij noemt zichzelf nooit 'ik' maar altijd De Dikke Man met drie dikke hoofdletters. Of eventueel Het Dikke Kleutertje. En alle mensen met wie hij spreekt worden bij voorbeeld als De Smoezelige Dame, of als De Eigenaar Van Het Kwasi Franse Restaurant aangeduid, ook al spreken ze in monosyllaben. Een tweede tic is een haast dwangmatige behoefte om nieuwe werkwoorden te verzinnen. Er zal binnenkort een woordenboekje voor Ischa Meijer-werkwoorden nodig zijn, met termen als toonlozen, hezen, ademlozen, ochochen, geestdriftigen, retorieken, in het wilde weggen en nog talloze meer. Een enkele keer zijn ze tekenend, meestal gezocht. Soms echter weet Ischa Meijer door die eigenzinnige taal fraaie effecten te bereiken. zoals in 'Kaddisj', waar De Dikke Man, voor het eerst sinds 34 jaar in sjoel van kaddisj voor zijn ongelovige moeder te zeggen bekent dat hij zich nogal verveelde: "Net als vroeger", noteerde hij, in dun schoonschrift. "Het was alsof ik weer een jaar of acht was." Na het overlijden van zijn ouders bezoekt De Dikke Man vele malen de villa in de plaats waar zijn ouders meer dan dertig jaar hebben gewoond en waar alles nog staat en ligt zoals zij het achtergelaten he>. ben. Hij wil het liefst dat het voorlopig zo intact blijft. teneinde als het ware die dertig hem onbekende jaren nog op zich te laten inwerken, ze in te halen. aan te laten sluiten. Terug naar het kind dat hij was, en het toch ook beleven als de vijftigjarige die hij inmiddels geworden is. Telkens ontmoet. hij mensen (of hij verzint ze) die zijn ouders hebben gekend en die hem iets over hen vertellen. Mensen uit de buurt, leveranciers, de werk ster, relaties van zijn vader, zelfs de verpleegster die bij de dood van zijn moeder aanwezig was en van wie hij verneemt dat zij toen haar ziekte ondraaglijk werd pillen nam en vredig in de armen van haar man insliep Curiosa Of hij wordt aangesproken door mensen die zijn columns in de krant lezen en soms nog sterkere verhalen over vervreemding tussen bloedverwanten opbiechten, of andere curiosa, bij voorbeeld dat zij uit eenzaamheid de poes leerden praten. Op deze ingewikkelde manier komen allerlei facetten van rouwverwerking aan bod, van tedere tot keiharde. Mijn lieve Ouders is het resultaat. Hoe is die titel bedoeld? De Brief aan mijn Moeder was een echte noodkreet om liefde. Ook dit verkapte in memoriam is echt. Bergen Belsen was in huize Jaap Meijer taboe. De baby Ischa heeft er geen eigen herinnering aan bewaard. En nu heeft niemand meer een herinnering aan hem - toen. ('Herinnering'). Mogelijk nog verscheurender is het stukje 'Bourtange' met de beschrijving van een bezoek aan de geboortestreek van zijn vader. In de vesting Bourtange betreedt hij een kleine synagoge: "En hij zag de gedenksteen die erop aangebracht was: Ter herinnering aan de 46 gedeporteerden van de joodse gemeente Bourtange-Vlagtwedde in de jaren '40-'45.' Mijn God, dacht hij Mijn God - hoe klein moet deze gemeenschap niet zijn geweest; en hoeveel joden hebben ze laten gaan. En hij las het weer, haast ongelovig: 'Ter herinnering aan de 46 gedeporteerden van de joodse gemeente Bourtange-Vlagtwedde in de jaren '40-'45.' Er reed een lege trein door zijn hoofd, met enkel die vader erin. 'Het lijkt wel alsof ze er nog trots op zijn', mompelde hij, achteloos wijzend naar de plaquette.
====================
Schrijver
|
Palmen, Connie
|
Titel
|
I. M.
|
Jaar van uitgave
|
1998
|
Bron
|
HP/De Tijd
|
Publicatiedatum
|
03-04-1998
|
Recensent
|
Emma Brunt
|
Recensietitel
|
Het knetteren van de vonken
|
Toen ze hem in haar blikveld kreeg, schrijft ze in 'I.M.', wist ze meteen: dit is mijn man. Wat herkenden Connie Palmen en Ischa Meijer toch zo ogenblikkelijk in elkaar? Zichzelf. Analyse van een narcistische samenzwering. Over de zevende man in haar debuut De Wetten krijg je minder te horen dan over de andere zes of meer gemankeerde minnaars. Hij is een van de 'meesters' die haar iets moeten leren, over de filosofie, de liefde en het leven, maar vooral over zichzelf. Alleen: hij komt niet aan het woord. In tegenstelling tot zijn voorgangers, want deze laatste man in de reeks is psychiater en dus is luisteren zijn voornaamste bezigheid. Volgens de schrijfster naar datgene wat ze niet zegt, naar 'de waarheid achter de verhalen vandaag'. Op een psychoanalytische interpretatie is ze overigens niet uit, want hij heeft moeten beloven haar 'bepaalde woorden' te zullen besparen. Ze vindt het namelijk 'geen goede woorden' om een verhaal mee te duiden. Ik denk daar soms anders over, en zeker nadat ik I.M. had gelezen, want dat boek leest minder als een roman dan als het gedroomde materiaal voor een gevalsbeschrijving. De vraag is alleen: over wat voor soort casus gaat het? Eerst dacht ik dat de mateloze fascinatie die Connie Palmen bevangt zodra ze Ischa Meijer ziet, en wel meteen, nog voordat hij de kans heeft gekregen een woord te zeggen, iets verduidelijkt over het fenomeen dat bekendstaat als 'liefde op het eerste gezicht'. Hij verschijnt in haar blikveld en ze weet direct: dat is mijn man. Vanaf dat moment zal ze nog maar één ding willen, zoals ze in een interview heeft gezegd, en dat is: 'tegen die man aan plakken'. En dat doet ze dan ook in de jaren die volgen, daarover laat ze geen enkele twijfel bestaan in I.M. Al in de deuropening van zijn huis in de Amsterdamse Reestraat barst ze soms in tranen uit. Van 'opluchting en ontroering, omdat hij me daar in zijn boxershort staat op te wachten in een huis waar het altijd warm is, waar de muziek van Adamo klinkt en waar het geurt naar soep'. En later, als ze met Ischa door Amerika reist en even de hotelkamer verlaat om wat kleren te gaan kopen, rent ze opgejaagd en doodongelukkig door het warenhuis en moet ze hem naderhand alles vertellen over haar 'honderd minuten eenzaamheid in Bloomingdale's'. Pas dan komen beide partijen weer een beetje tot bedaren, en is de separatie tenietgedaan. Connie Palmen vindt dit kennelijk romantisch en een overtuigend bewijs dat die man niet alleen haar keus is, maar ook door het lot voor haar bestemd, terwijl het mij vooral doet denken aan de paniek van heel kleine kinderen, als ze in het gedrang opeens hun moeder zijn kwijtgeraakt. Onwillekeurig rees het beeld voor me op van de trits grauwe gansjes die de etholoog Lorenz ooit heeft grootgebracht, en die hem bij elke stap op de voet volgden, omdat hij nu eenmaal degene was die voor hun neus stond toen ze uit het ei kropen. Zo'n zogenaamde 'imprint' is beslissend voor een pasgeboren gans, en wat het ook is dat het kuiken als eerste ziet bewegen, een moedergans of een geleerde met een grijze baard, dáár tippelt het in blind vertrouwen achteraan. Als het over mensen gaat, en volwassen mensen bovendien, zou je misschien kunnen vermoeden dat er een soort tweede-ouderkeus bestaat. Alsof de stereotiepe kinderfantasie dat je niet bij je eigen, veel te alledaagse familie hoort, maar in feite een 'koningskind' bent waarnaar de 'echte' ouders al jarenlang tevergeefs zoeken, bij sommigen nog springlevend is. In dat geromantiseerde script houdt opeens een koets halt voor de deur van het nederige hutje waarin je al die tijd hebt zitten wachten, en de voorname dame die eruit stapt herkent je gelukkig ogenblikkelijk aan het medaillon dat ze in je mandje heeft gestopt toen ze je destijds te vondeling had gelegd. Jou zocht ze al die tijd, en jou alleen: eindelijk word je dan toch nog gezien en uitverkoren! Waarna het huilen en omhelzen een aanvang kan nemen, en de wees - zoals Rémi in Sans famille - zijn ware thuishaven vindt. Zijn 'persoonlijk lot', zeg maar, om in het vocabulaire van Connie Palmen te blijven. Zoiets bestaat in de liefde ook, en volgens Freud is er dan altijd sprake van 'herkenning': het hervinden van een verloren gewaand liefdesobject. De omstanders kijken toe en verbazen zich over het onverhoedse knetteren van de vonken. Wat ziet hij/zij in haar/hem?! - vragen ze zich af. Het meest voor de hand liggende antwoord is: een ideale voorstelling van de ouders die je ooit had, met name toen je heel klein was, voordat je besefte dat die ouders afzonderlijk van jou bestonden, en het in hun macht hadden om je tevergeefs te laten huilen of zelfs in de steek te laten. De geïdealiseerde ouder, of die nu ooit aanwezig is geweest of alleen als wensdroom bestond, valt namelijk geheel samen met de behoeften van het kind. En in die verrukkelijke twee-eenheid voelt de baby zich alomvattend bemind, beschermd en ten diepste goedgekeurd. Zonder dat hij daar ook iets voor hoeft te doen. De ouderlijke 'almacht' en goedertierenheid, zoals die zich aan hem voordoen, zijn dan nog niet te onderscheiden van zijn eigen almachtsfantasie, want met een glimlachje of een kreetje zet hij die hele verzorgingsmachinerie toch maar mooi in werking. Alsof het niets is, en de marionetten in zijn omgeving alleen bewegen omdat hij aan de touwtjes trekt. Zo blijft het natuurlijk niet, want al gauw stuit het kind op de grenzen van de realiteit, maar het heimwee naar die ongedeelde toestand blijft wél. En bij mensen met een narcistische stoornis, die soms optreedt als de feitelijke ouders hun kind te weinig zorg hebben gegeven, kan dit verlangen met permanente leegte worden in het eigen ik: als een bodemloze put, die steeds opnieuw volgestort moet worden. Met oneindig veel liefde en een onuitputtelijke bewondering. Zet je dan ook nog eens twee van die mensen bij elkaar, die allebei geneigd zijn de schreeuwende behoefte aan aandacht op een geliefde te projecteren, dan ontstaat er vaak iets wat in de psychiatrische lectuur een 'narcistische collusie' heet. Een samenzwerinkje à deux, waarbij de een de ander beziet in het buitengewoon flatteuze licht van de wensvervulling. Alsof ze naar elkaar kijken door een bril van spiegelglas en daarin niet alleen een volmaakte versie gewaarworden van de ander, maar vooral een geperfectioneerd beeld zien van zichzelf. Eindelijk voelen ze zichzelf 'heel', alsof de ontbrekende helft - hun 'beter ik' - zich ten slotte bij hen heeft gevoegd. Dat is uitermate bevredigend, en het geeft de deelnemers (even aangenomen dat het er twee zijn, en dat de narcistische binding wederzijds is, want zo niet, dan krijgt je het scenario van Fatal Attraction) een heel bijzonder, niet om te zeggen onaantastbaar en onoverwinnelijk gevoel. Triomfantelijk zelfs, alsof ze de hele wereld te slim af zijn en alle andere mensen het nakijken hebben gegeven. In I.M. wemelt het van zulke zelfverheerlijkende passages, die bedoeld lijken om de lezer in te peperen dat deze liefde een absolute kwaliteit bezat die met geen enkele andere vorm van liefde te vergelijken was. Behalve de liefde voor God misschien. En ook dat Connie Palmen deze versie van bijna religieuze toewijding aan een man, als eerste en enige heeft uitgevonden. Wat dat betreft is dit een heel katholiek boek, waarin het immer naar soep geurende appartement van Ischa wel wat begint te lijken op een bidkapelletje van de Moederkerk, dicht bij het ouderlijk huis, in Sint Odiliënberg. Emotioneel niet zo ver verwijderd van de plek waar Connie Palmen ooit op haar knieën 'neerstortte' en om vergeving vroeg voor een niet nader benoemde zonde: die van het individualisme en de intellectuele hoogmoed, denk ik. En toen opeens niet meer zo goed wist welke hogere instantie haar die vergeving zou moeten schenken: god, haar grootvader, of Mijnheer Sartre. Later werd dat Ischa Meijer: een geïdealiseerd personage in haar levensverhaal, waar eveneens een absoluut gezag van uitging. Ischa was tenslotte een man die al veel mensen had gekwetst en veel vrouwen had verlaten, maar nu juist voor háár een uitzondering op die regel zou maken. Zoals ook God slechts genadig is voor enkele uitverkorenen. Van die particuliere genade tot 'persoonlijk lot' is dan nog maar een stapje. Bovendien was het een man die het 'gezellig' kon maken, die bijvoorbeeld een eendje 'knalde' om te vieren dat zijn vriendin weer naar huis kwam; een man die altijd soep op het vuur had staan, en die zijn geliefde net zo'n zoet, blauw-roze gestreept pyjamaatje schonk als hij zelf droeg in bed. En Ischa was bij uitstek de man die, om het nog knusser en a-seksueler te maken, voortdurend naar zijn 'familie' zocht, zowel de bestaande familie als de surrogaat-familie van de vrienden (steeds andere, dat wel), en die het vertederend vond als Connie een been om hem heen sloeg en met een duim in haar mond tegen hem aan hing. Die laatste scène kende ik al trouwens, want ook in haar tweede roman - De Vriendschap - vertelt de schrijfster hoe ze vroeger duimend tegen haar reusachtige schoolvriendin Ara opkroop, soms het hele speelkwartier lang. Het heeft iets kleverigs en tirannieks, al dat opdringerige geplak en het exhibitionisme waarmee dat beschreven wordt, maar als je even vergeet dat het om twee volwassen mensen gaat, wordt het meteen veel gewoner en acceptabeler. In een nog niet gepubliceerd essay over seksuele opwinding, De erotische vorm van zelfbedrog, schreef psychoanalyticus Louis Tas, toevallig ook de analyticus van Ischa Meijer, deze verhelderende passage: "De pornografie, die alles wat seksueel prikkelt, marktgericht en dus efficiënt exploreert, kent ook 'bizarre' seks die echter ophoudt bizar te zijn als men zich voorstelt dat een van de twee partners de afmeting van een zuigeling kreeg. Ik herinner bijvoorbeeld aan de 'watersport' waarbij men elkaars gezicht of genitaliën bepiest." Inderdaad, en als je je dan ook nog voorstelt dat beide partijen zo nu en dan van rol verwisselen, en om de beurt voor ouder en kind spelen, wordt dat wederzijdse klitten (Connie kan geen dag, en eigenlijk geen uur zonder 'haar man', en Ischa belt haar zowat elk half uur op; zonder elkaar vallen ze meteen in een gapende leegte) alweer een stuk begrijpelijker. Waar voelt een baby zich tenslotte beter thuis dan op de blote buik van zijn moeder, in afwachting van zijn voedingsbeurt? Of, in een alternatieve versie: wat is prettiger dan een warme pyjama, identiek aan die van je partner, en dan lekker samen in het grote bed, terwijl het hele huis doortrokken is van de geur van soep - ook al zo'n vloeibaar hapje dat vanzelf je keel binnenglijdt, net als moedermelk? En is het dan nog verwonderlijk dat zowel Ischa als Connie spontaan in de broek poept op het moment dat ze elkaar onverwachts zien, allebei op weg naar de ander, en ineens beseffen dat een liefdesrelatie onontkoombaar is geworden? Onontkoombaar omdat ze die vieze broek aan elkaar durven te bekennen, denk ik. Schone luiers, frisse pyjamaatjes, en met Silan gespoelde, roodgestippelde dekbedden. Ja, deze liefde rook precies goed: naar de kinderkamer. En viel dus niet meer te vermijden. Hoe herkennen mensen een potentiële partner die zich voor zo'n in de fantasie vastgelegd scenario leent? vraag je je af. Volgens Louis Tas, in het al eerder genoemde artikel, gebeurt dat vaak 'op het eerste gezicht'. Meestal naar aanleiding van een ogenschijnlijk 'onbetekenend' onderdeel in iemands verschijning of gedrag. Het lijkt erop, schrijft Tas, alsof 'de daarvoor gevoelige persoon dan onbewust reageert als een soort "casting director", die in een milliseconde beoordeelt of degeen die hij ontmoet past in zijn persoonlijke script'. Hij geeft daar ook een paar voorbeelden van, zoals dat van de man die in het voorbijgaan een vrouw ziet zitten, in een schemerig souterrain, in het huis van vrienden, en op slag door haar betoverd wordt, wat hemzelf vooralsnog een raadsel is, totdat de gastvrouw hem toefluisterde: "Ik begrijp dat je op haar valt - ze heeft iets van dat verongelijkte over zich wat jij de laatste tijd zelf ook hebt." Tas schrijft het er niet bij, maar het lijkt me niet vergezocht te veronderstellen dat iets van 'dat verongelijkte' ook al bij de vader of moeder van deze man was waar te nemen, of anders wel bij een ander affectief beladen 'object' uit zijn vroege jeugd. Bij Connie Palmen en Ischa Meijer was de beslissing trouwens al gevallen, en zeker bij haar, omdat ze elkaar ' in de openbaarheid' al een paar keer hadden ontmoet, via boeken, levensgrote foto's en televisieinterviews, lang voordat ze die eerste, fatale blik uitwisselden bij Eik en Linde. Het script lag klaar en de innerlijke 'casting director' had zijn oog al laten vallen op een ideale bezetting voor de hoofdrol. Die keus had natuurlijk te maken met hun beider persoonlijkheid, met de narcistische behoeftigheid die ze gemeen hadden, want personality is destiny, tot op zekere hoogte. En gezien dat feit kan het geen kwaad om je via de koninklijke weg van de introspectie eens te verdiepen in de bronnen van dit persoonlijke lot. Van Connie Palmen zou je dat laatste in ieder geval wel verwachten, want het begrip 'lot' staat centraal in alles wat ze schrijft. Maar ze doet het niet, omdat de woorden uit het analytische jargon haar niet bevallen, en dat vind ik jammer. Om twee redenen. De eerste is van literaire aard en dus het belangrijkste, want als lezer hebben we niet met de persoon maar met de schrijfster te maken. Al maakt Connie Palmen het je wel erg moeilijk om schrijfster en personage te ontwarren, en aan de persoon voorbij te gaan. Onherroepelijk klinkt het dus een beetje moraliserend, ook ten aanzien van haarzelf, als ik stel dat I.M. een minder zoetsappige, keukenmeiderige soap was geworden als de schrijfster zich ertoe had kunnen zetten haar verslindende verhouding met Ischa eens aan een kritisch (zelf)onderzoek te onderwerpen. Wat ze nu heeft gedaan, en wat ze in elk interview bevestigt, is 'haar Ischa' in woorden vangen; zo hermetisch in feite dat hij eruitziet als een toevallig gefossiliseerd vliegje in barnsteen, niet meer dan een stipje in de taaie stroop van haar liefde. Als Connie Palmen werkelijk had willen doen waar weduwen 'nu eenmaal voor zijn', namelijk 'een monumentje oprichten' voor de overledene, zoals Renate Rubinstein schreef in haar postume terugblik op Carmiggelt, dan had ze de Ischa die ook 'van anderen' was wel wat vrijer spel kunnen geven. Zo'n veelzijdige benadering had van meer begrip getuigd voor Ischa's 'wezen', zoals zij dat bombastisch noemt, want Ischa Meijer was nooit zo heel erg trouw aan één iemand en deponeerde zijn eieren altijd in meerdere mandjes tegelijk: even arglistig als argwanend. Zo'n angsthaas was hij wel. Connie Palmen onderkent de angst, maar weigert die fundamentele ontrouw toe te laten in haar boek, omdat die haar niet schikt, en daardoor wordt deze aanzet voor een mogelijke biografie even eenzijdig als partijdig. En dan bedoel ik niet de partij van Ischa, maar die van Connie Palmen. Om dat te vermijden had ze ook haar eigen 'wezen' moeten onderzoeken, en een stuk ongenadiger dan in de boeken die ze hiervoor heeft geschreven. Dat ze dat ook ditmaal niet heeft gedurfd, gekund of gewild, is haar menselijkerwijs niet kwalijk te nemen, maar komt de ontwikkeling van haar werk niet ten goede. Ze heeft de verhouding met Ischa namelijk al voorspeld in De Wetten, in het hoofdstuk waarin ze haar relatie met 'de kunstenaar' beschrijft, en dat was geruime tijd voordat ze Ischa Meijer ontmoette. Aan deze kunstenaar, in het boek Lucas Asbeek genaamd, blijkt ze zich ook dan al volledig uit te leveren. Hun liefde volgt precies hetzelfde patroon dat zich vroeger al eens openbaarde in de vriendschap met Ara, en dat zich later weer zal manifesteren bij Ischa. Ze eet bijvoorbeeld niet meer na haar ontmoeting met Asbeek, en ze 'bloedt' - uit een niet nader aangeduide lichaamsopening, zodat het klinkt alsof er mystieke stigmata in haar handpalmen zijn ontstaan. Hij wordt vereerd als de man op wie ze altijd heeft gewacht: als 'de man met het gezicht', en ze is op slag aan hem verslaafd. Dat felbegeerde gezicht is 'publiek', schrijft ze, bovendien niet al te toeschietelijk, en de man zelf is een gekwelde geest, met een innerlijk dat voor hemzelf ondoorgrondelijk blijft, zodat Connie Palmen het voor hem moet gaan peilen. Dat gold voor Lucas Asbeek, en enige tijd later zou het ook weer gelden voor Ischa Meijer. Troost, dat is wat ze denkt haar mannen te kunnen bieden, en die troost maakt haar onverslaanbaar, want onmisbaar. In hoofdstuk II van De Wetten, waarin de schrijfster kennismaakt met een epilepticus, zegt de man in kwestie tegen haar, veelzeggend genoeg: "Theresa, troost der zieken, je verdient een borrel." En in hoofdstuk IV van hetzelfde boek ontmoet ze een afzichtelijke, perverse, sadomasochistische priester-filosoof, die ook nog behept is met een bochel, maar toch ze die man kokhalzend onder haar hoede en likt vervolgens zijn voeten schoon - ook waar die het smerigst zijn, tussen de tenen. Zulke hysterische passages zouden beslist beter te verdragen zijn als de Leidenschaft waarmee dit bruidje van Jezus aan haar dienende taak begint, niet werd behandeld als een gegeven, maar even indringend werd geproblematiseerd als de nood die deze mannen naar haar toe drijft. Wie een reddingsfantasie koestert wil doorgaans zelf dolgraag 'gered' worden, en zolang diegene dat niet onderkent, kan hij of zij wel aan het redden blijven. Ongeveer tot het vriest in de hel, of tot het wrak van de Titanic uit zichzelf boven water komt en weer vrolijk verder vaart. Daar is letterlijk geen beginnen aan. Alleen in de Middeleeuwen werden zulke martelaren nog heilig verklaard, zoals Catharina van Siena, die zich te goed deed aan kommetjes vol pus uit de bloederige wonden van haar patiënten, maar daarna werd de medische zorg zakelijker en doeltreffender, en begon de stralenkrans van de hulpverleners al gauw te verdoffen. Gelukkig maar, want dat gedoe met die pus was een tamelijk troebele, onhygiënische vorm van verpleging, en de zieken knapten er niet echt van op. Dat brengt me op de tweede reden voor mijn bezwaren tegen dit megalomane boek, dat een romaneske verbeelding wil zijn van wat the love of a good woman vermag. En die reden is van puur persoonlijke aard, zonder enige literaire bijbedoeling: vergelijk het maar met een allergie. Want deze handleiding voor het redden van sombere, wisselvallige, maar natuurlijk wel succesvolle kunstenaars is me domweg te serviel: te dienstbaar, te vroom, te kortzichtig, te snobbish, en te zelfgenoegzaam. Het is, in alle voorgewende toewijding, eerder een monumentje voor de kuise maagd in de tempel dan voor de zelf geknutselde God die daar wordt aanbeden. Had Ischa Meijer geen waarachtiger, en vooral intelligenter commentaar verdiend dan zo'n sentimenteel weesgegroetje bij het huisaltaar van Connie Palmen? Niet dat het hem postuum zal hinderen, want de hype rondom het boek had hij ongetwijfeld prachtig gevonden. In gedachten hoor je hem al opbieden tegen Joop van Tijn, ergens daarboven, omdat het rondom Van Tijn al een beetje stil is geworden, terwijl Ischa nog steeds the talk of the town is, zelfs drie jaar na zijn dood. En toch denk ik dat ook Ischa eventjes had moeten slikken bij deze tekst, want verslaafd aan aandacht was hij wel, maar hij was zich daar ook weer zo pijnlijk van bewust, dat hij het applaus nooit zonder zelfspot in ontvangst kon nemen. "Ik ben beter dan jullie, maar jullie zijn echter!" voegde hij zijn publiek eens toe in een conference, en die uitroep verwoordt heel nauwkeurig hoe hij zich tot zichzelf verhield: hij geloofde in zichzelf, maar ook weer niet. Zijn literaire alter ego van de laatste jaren was een Dikke Man, en die man was tot veel in staat, maar een sprookjesprins was hij niet. I.M. daarentegen is het sprookje waarin een heuse prinses figureert: de schrijfster, die haar romance met Ischa etaleert alsof het een feel good-movie uit Hollywood is, maar dan uit het echte leven gegrepen. Aan de oprechtheid van haar bedoelingen twijfel ik overigens niet, zodat de smaak van bedrog die dit boek achterlaat wel te maken moet hebben met onechtheid van een andere orde. Met zelfbedrog.
=================
Schrijver
|
Palmen, Connie
|
Titel
|
I. M.
|
Jaar van uitgave
|
1998
|
Bron
|
De Volkskrant
|
Publicatiedatum
|
20-02-1998
|
Recensent
|
Willem Kuipers
|
Recensietitel
|
'Nummertje acht'
|
Niet hoog, maar laag, om niet te zeggen laag-bij-de-gronds, zet Connie Palmen in, als ze in I.M. over Ischa Meijer begint te vertellen. De twee zien elkaar bij Ischa's huis op 12 februari 1991, zeven dagen na het interview dat Ischa met 'La Palmen' had voor de VPRO-radio. En dan staat er: 'Hij wou naar mij toe en ik naar hem, dat weten we. Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd uit dat hij in zijn broek heeft gepoept.' Frisse morgen, denk je, als je dat leest, terwijl de zin over die 'uit elkaar wijkende kringspier' ook al niet erg goed geformuleerd lijkt. Wat wordt dit voor een boek? Krijgen we meer van zulke scènes opgedist? Zitten we daarop te wachten? Is dit een Privé- of Story-relaas, dat zelfs die bladen te voyeuristisch zou zijn? Of mag je aannemen dat Connie Palmen op grond van De wetten en De vriendschap iets van wat meer niveau te melden heeft over haar jaren met de bekende Nederlander Ischa Meijer (1943-1995)? I.M. (te lezen als 'I am', 'Ischa Meijer', 'In margine', 'In memoriam') is, daar kan geen twijfel over bestaan, een erg intiem boek. Dat kan niet anders. Het betreft immers een liefdesverhaal van twee mensen die op latere leeftijd - en na de nodige ervaringen met anderen - elkaar ontmoeten en vrijwel meteen het gevoel hebben dat ze voor elkaar bestemd zijn. 'Nummertje acht', schreeuwde Ischa Meijer volgens Connie Palmen toen hij haar in Eik en Linde voor het eerst zag, en daarbij wees hij op De wetten, het boek waarin Palmen zeven 'geliefde' de revue had laten passeren. Wat 'nummertje acht' niet wist, en ook niet kon weten, was dat hij op dat moment al door Palmen was uitverkoren, en zoals dat gaat: als de vrouw kiest, heeft de man weinig meer in te brengen. Deze wat ouderwetse, of wellicht 'klassieke' visie op de kruising der geslachten, kleurt Connie Palmens verhaal. Zoals zij zich overgeeft... Dat is niet erg feministisch of van deze tijd. Het is een overgave die haar zichzelf nog net niet helemaal doet wegcijferen, maar veel scheelt het niet. Ze maakt zich zo ondergeschikt aan 'haar man', dat er voor haar nauwelijks nog plaats lijkt in het verhaal. Merkwaardigerwijs doet die houding geen afbreuk aan haar verhaal. Integendeel, het wordt er juist sterker door. Palmen is onverzettelijk in haar liefde, en dat ontroert. Tegen zoveel liefde is de gevreesde interviewer en Dikke Man, die Ischa was, niet opgewassen, en het aardige van dit boek is dan ook op een bepaalde manier tweeledig: in de eerste plaats komt de bonkige Meijer ertoe veel van zijn rare vooroordelen (vooral over het katholicisme, Limburg, het familieleven en zo verder, Connie Palmen komt uit het zuidelijke St. Odiliënberg) opzij te zetten, en in de tweede plaats blijkt deze in tal van opzichten door en door gefrustreerde man zich in de koestering van Connie Palmen te kunnen ontspannen. Misschien werd hij, zeg ik op grond van dit boek, in zijn omgang met Connie Palmen voor het eerst een Mensch. Vanzelfsprekend worden de lezer allerlei vertrouwelijkheden niet bespaard. De vraag is of je daarvan als buitenstaander in kennis gesteld wilt worden. Voor een instemmend antwoord is waardering voor Connie Palmen en haar boeken (waarvan ik zeker De vriendschap niet heel overtuigend vond) niet voldoende, noch bewondering voor Ischa Meijer, wiens al te nadrukkelijke aanwezigheid je weleens te veel kon worden (behalve in zijn geschreven interviews, die ik bijna altijd schitterend vond). Het gevaar van een hinderlijk gevoel van voyeurisme bij de lezer heeft Connie Palmen weten te vermijden doordat ze haar epos over liefde en dood zo goed in de vorm heeft gestoken. Met veel raffinement, moet ik zeggen en daarmee kom ik terug op het begin. 'Le sérieux d'émotion', waarvan hier volgens Ischa's psychiater Louis Tas sprake was, is een eerste signaal dat Connie Palmen geen ondubbelzinnige autobiografie heeft willen schrijven. Er is alles voor te zeggen dat de spontane fecalische ontlading van de beide geliefden gezien moet worden als een aankondiging van het tragische lot dat een van beiden beschoren was, en al wist Connie Palmen dat, toen ze aan haar boek begon, een dergelijk 'motief', te lezen als een moderne variant van het bijbelwoord dat de mens stof is en tot stof zal wederkeren, getuigt van haar streven om deze geschiedenis te 'fictionaliseren', in het licht van een 'hoger doel' dan de beschrijving van een particuliere werkelijkheid. Het is een lezing die verdedigbaar is als je bij het nadenken over dit boek, dat tegelijkertijd heel privé en toegankelijk voor 'vreemden' is, constateert met hoeveel motieven Connie Palmen haar thema van liefde en dood haast instinctief of intuïtief zijn emotionerende contouren heeft gegeven. Ik zal ze niet allemaal noemen - het zijn er vele -, maar wijs erop dat ze ook al in het begin gewag maakt van de dood van Jacques Heijer, toneelrecensent van NRC Handelsblad en een groot vriend van Ischa Meijer (en en passant melding maakt van Ischa's afkeer van Cor Galis, ook dood, ook een 'vaderfiguur', of juist niet). Nog in het eerste gedeelte van het boek, In margine geheten, dat vooral gaat over de gelukkige tijd die Palmen en Meijer een paar jaar deelden, is de dood, het overlijden van geliefden en familie, zo nadrukkelijk aanwezig dat hier wel van een bewuste regie gesproken moet worden, waarmee de schrijfster de werkelijkheid, de feiten, die mij onloochenbaar lijken, naar haar hand heeft gezet teneinde de vitaliteit, de verwachtingen, de plannen, het 'lebensbejahende' van die jaren met Ischa - die nota bene al een ernstige hartaanval achter de rug had, maar niettemin in Amerika ging hardlopen om zijn lichaamsomvang tot erotisch aanvaardbare proporties terug te brengen - hoog op te stuwen, voordat haar verhaal - na de dood van Ischa - omslaat in een klassiek treurspel, waarin Palmen zichzelf tot een tragédienne maakt die zich uitzinnig van verdriet op het ontzielde lichaam van haar man werpt, en voelt dat er geen leven meer is, zelfs zijn ballen zijn al koud. Door haar verhaal zo in te kleden, hoofdpersonen (zijzelf en Ischa Meijer) uitgroeien tot fictieve personages, wier handelingen niet alleen maar, of in de eerste plaats, verbonden zijn met de personen van vlees en bloed die we kennen van de tv (waaraan trouwens ook een flinke dosis fictie niet te ontzeggen valt). Ze worden onderdeel van een verhaal over het échte leven, dat de lezer meer te bieden heeft dan de door ons niet gekende werkelijkheid: het verhaal grijpt je aan en ontroert, merkwaardigerwijs ondanks het feit dat Palmen niet een heel groot stiliste is. Ze kan echter op de meest dramatische momenten woorden en zinnen zo kiezen dat ze niet zozeer fraai of meeslepend zijn als wel doeltreffend. Die dramatische momenten, het zal niet verbazen, hebben vooral met Ischa Meijer te maken. Alles draait om hem. In de huiselijke, om niet te zeggen 'gezellige' atmosfeer, die Connie Palmen met steun van Ischa weet te creëren, wordt hij in de traditionele zin van het woord een 'karakter', dat onder de liefdevolle blik van zijn levensgezellin zijn drijfveren, verslavingen en frustraties (zijn diepe verlatingsangst) prijsgeeft, maar ook zijn vermogen tot liefde, zijn trouw (al blijft hij 'vreemdgaan') en zijn oprechte waardering voor anderen. De verhouding met zijn ouders, een moeder die zich volledig onderwierp aan haar man, en die hij haat, en een vader die hij zowel vreest als bewondert (om zijn 'wetenschappelijke' werk) bepaalde het leven van deze man, die als kind in Bergen-Belsen terechtkwam en na de oorlog met zijn moeder meteen naar Amerika reisde. Dat land, het land waar Connie Palmen en Ischa Meijer telkens weer heen trekken gedurende de jaren dat ze samen zijn - wat door het reisverslagachtige de fictieve trekken van haar verhaal versterkt -, is voor beiden een verademing. Daar vallen allerlei noties over cultuur, waarover het in dit boek veel gaat, op hun plaats. Voor Ischa is cultuur het leven op zijn echtst, en dat wordt het voor Connie, met haar 'geleerde achtergrond' - ze voltooide twee academische studies - dankzij Ischa in toenemende mate ook. De verschillen tussen hen laten zich het best demonstreren aan de hand van Het Boek, een belangrijk motief in I.M.. Voor Ischa zijn boeken met angst omgeven, taboe. Zijn vader, die duizenden boeken had, verbood hem ze aan te raken. Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar het is een van de vele, zeg maar gerust gruwelijke waarheden die Connie Palmen over Ischa's leven onthult (geen wonder dat hij tot het laatst toe bezig was een boek over die vader te schrijven). Voor Connie Palmen zijn boeken gebruiksvoorwerpen; het zijn instrumenten voor het denken, waaraan ze, aan dat denken, net als aan de alcohol en de nicotine, verslaafd zegt te zijn. Ischa's tragiek, waarvan niets verzonnen lijkt, verhevigt dit liefdesverhaal op een manier die er een verstrekkende betekenis aan geeft. Het gaat om het geheel, het door Connie Palmen uit feiten opgetrokken geheel - en niet om de afzonderlijke faits divers die de geïnteresseerden ongetwijfeld zullen prikkelen - en in dat opzicht is I.M. niet zozeer een 'roman', zoals Connie Palmen wil, als wel een 'reportage', een verslag van een werkelijkheid, dat die werkelijkheid inkadert en doet spreken. Ondanks de niet altijd even sprankelende discussies tussen Palmen en Meijer over het verschil tussen journalistiek en 'fictie', betoont de schrijfster zich meer aan Meijer schatplichtig dan ze, op dit punt, haar strikt eigen terrein, zou wensen. Als haar boek een 'roman' is, dan is het een naïeve roman, een die niet evoceert, maar beschrijft, en die daarmee afhankelijk is van zijn (van tevoren vaststaande) onderwerp. Is een dergelijke terminologische haarkloverij van belang? Tot op zekere hoogte wel, want ondanks de fictionalisering die Palmen nastreeft en die haar behoedt voor sentimentaliteit, melodrama of erger, is I.M., literair gesproken, een beperkt boek, beperkter dan een volledig fictief verhaal over liefde en dood, dat de lezer immers niet opzadelt met ongemakkelijkheden als het gaat om intimiteiten, maar hem juist bevrijdt door veel verder te gaan dan menigeen zichzelf zou toestaan. In dit autobiografische boek is, ondanks de kwaliteiten die het heeft, de verbeelding aan banden gelegd, ten koste van een dieper inzicht in de fenomenen waarover Palmen schrijft. Zij blijft letterlijk aan de persoon van Ischa Meijer gebonden. Een uitgever, Palmens Amerikaanse uitgever George Braziller bijvoorbeeld, zal als hij I.M. in handen krijgt, zichzelf als eerste vraag stellen: Zou iemand in Amerika in Ischa Meijer geïnteresseerd zijn? Het antwoord laat zich raden. Maar gelukkig hoeven wij ons daarvan niets aan te trekken.
|